home discussie recensies lezingen   links de Italiaanse revolutie    
nrc.nl prometheus

Dit boek is verschenen in 1996. Veel eruit is nog steeds van kracht,
maar zie 'Het land van de krul' voor een recenter beeld van Italië.

 

7 Così fan tutti

 

De woede van de Italiaanse kiezers, hun gescheld op Craxi en Andreotti, de

muntjes die ze gooiden, het is niet gespeeld en komt recht uit het hart. Italië

is boos en het zegt basta. Maar dezelfde politici die aan de schandpaal

zijn genageld, werden eind jaren tachtig nog bewierookt. Hoe kan dat? Voor een

deel omdat niet bekend was hoe omvangrijk de corruptie was geworden, hoe

schaamteloos er werd gestolen, hoe systematisch de steekpenningen werden

opgelegd. Maar ook omdat veel Italianen in zekere zin medeplichtig waren; niet

direct aan corruptie, maar aan een bepaalde benadering van de verhouding tussen

overheid en burger.

 

De Italianen zijn niet allemaal slachtoffer geweest. Het land was

geen weerloze prooi van corrupte politici en ondernemers die mooi weer speelden

met het geld dat ze brave burgers afhandig maakten. In ieder geval een deel van

de corruptie is getolereerd door in ieder geval een deel van de bevolking. In

grote lijnen wisten de kiezers dat er van hoog tot laag werd gestolen. Abraham

Lincoln zei het al: je kunt alle mensen een poosje voor de gek houden, je kunt

zelfs sommige mensen altijd voor de gek houden, maar je kunt niet alle mensen

altijd voor de gek houden.

Politici hebben voor miljoenen aan smeergeld binnengehaald, maar ook gewone

burgers hebben hun grote of kleine bedrog. De advocaat en de specialist betalen

nauwelijks belasting. De winkelier verzwijgt een deel van zijn inkomsten. De

huiseigenaar laat de helft van de huur zwart betalen. De tandarts heeft tarieven

met en zonder rekening. De marktkoopman verkoopt gestolen goed, de rokers kopen

op straat goedkope sigaretten waarvan ze weten dat het smokkelwaar is. De

aannemer bouwt waar hij niet mag bouwen. De ambtenaar komt een uur later binnen,

doet boodschappen in werktijd en gaat een uur eerder naar huis, nadat hij

smeergeld heeft aangenomen om een aanvraag voor een vergunning te behandelen. De

specialist verwijst 's ochtends zijn patiënten in het staatsziekenhuis door naar

zijn kostbare spreekuur 's middags, of, nog erger, praat patiënten kanker aan om

ze in zijn eigen kliniek voor veel geld te kunnen bestralen. De boer int

EG-subsidie voor nooit verbouwde tomaten, soja of olijven. De

politieagent doet tegen betaling in contanten of in natura een oogje dicht.

Tv-presentatoren ontvangen honderdduizenden guldens onder tafel voor sponsoring

in hun programma. Journalisten laten zich vorstelijk betalen voor een eenvoudige

schnabbel. Een hoogleraar mag een prijzig advies uitbrengen.

De lijst is eindeloos. Het gaat niet om incidenten en uitzonderingen, maar om

gedrag dat in grote delen van de samenleving wordt geaccepteerd. Politici hebben

hun villa op een Caribisch eiland, maar miljoenen gewone Italianen hebben een

tweede huis aan zee of in de bergen. Ook zij drinken champagne en malt whisky,

twee dranken waarvan Italië per hoofd van de bevolking de grootste importeur is.

Een deel van de bevolking, vooral mensen in de overheidssector en de vrije

beroepen, is partner geworden in een stilzwijgend akkoord waarin iedereen zijn

gang mag gaan. Così fan tutti - ze doen het allemaal.

De vrede is gekocht. Niet alleen in de vorm van een lakse opstelling door de

staat, niet alleen met fictieve invaliditeitspensioenen of overbodige

overheidsbanen, maar ook met staatsobligaties. Het potverteren door de staat

heeft veel Italianen rijk gemaakt. Om de enorme staatsschuld te kunnen dekken,

betaalde de staat een rente die boven de marktrente lag. Miljoenen Italianen

hebben overheidsstukken gekocht en zo hun spaarcenten consumptief in plaats van

produktief gebruikt. Volgens cijfers uit 1993 bezit de gemiddelde

familie honderdtwintig miljoen lire, ongeveer honderdvijftigduizend gulden. Een

derde daarvan is in staatsstukken. Zelfs in de laagste inkomensgroepen heeft een

op de vijf gezinnen staatsstukken, terwijl het percentage Italianen dat aandelen

heeft, aanzienlijk lager ligt dan in de meeste andere industrielanden. Politieke

partijen kochten hun macht met geld dat ze van toekomstige generaties leenden,

en ze speelden een deel daarvan door aan de burgers. Het is een van de redenen

dat veel Italianen het begrotingstekort lang niet als een bedreiging hebben

gevoeld.

 

De morele kwestie, zoals de Italianen het corruptieschandaal graag noemen, speelt

daarom niet alleen in de politiek. In heel de publieke moraal is de rot gekomen.

Naarmate de smeergeldaffaires groter en omvangrijker worden, groeit

het besef dat zij niet alleen de politiek raken. Ook verklaarde tegenstanders van

de oude partijen roepen deemoedig mea culpa.

 

`Als er zoveel discutabele figuren zijn geweest, twintig, dertig,

veertig jaar lang, is dat omdat wij op ze hebben gestemd en ze hebben gekozen.

We konden ze wegjagen en we hebben het niet gedaan,' zegt

filmregisseur Ermanno Olmi. De bejaarde filosoof Norberto

Bobbio, de goeroe van liberaal links, herinnert eraan dat iedereen op de hoogte

was van de corruptie, dat iedereen wist hoe machtig de mafia was:

`Het is het failliet van een hele natie, en niet alleen van de politieke klasse

die nu voortdurend en met grote woede wordt beschuldigd door degenen die haar

jarenlang hebben gesteund en de consensus hebben geboden om te kunnen regeren.'

Als de socialisten worden uitgejouwd, zegt de socioloog Alessandro Pizzorno:

`Niet iedereen kan zich dat permitteren. Ik geloof niet in een tweedeling van de

moraal in die binnen de samenleving en die binnen de staat. Na het Verzet was de

politieke klasse, hoewel cultureel gezien wat achtergebleven, beschaafder dan de

samenleving die zij vertegenwoordigde, zij had een zekere degelijkheid. Vandaag

de dag is die voorsprong van de politiek als <169>het betere deel<170> er niet

meer, maar het is niet zo dat de politici een samenleving van beschaafde burgers

hebben verraden: de arrogantie van de een is nu even groot als de arrogantie van

de ander.'

Umberto Eco voegt zich bij dit koor als de schandalen een nieuw hoogtepunt hebben

bereikt met de beschuldiging dat oud-premier Andreotti een journalist heeft laten

vermoorden door de mafia en de gevreesde peetvader Totò Riina met een

kus op de wang heeft begroet. Hij schrijft in zijn wekelijkse column in het

weekblad L'Espresso: `Er was geen overkoepelend orgaan van corrupten dat

het land heeft uitgeperst. In zekere zin had iedereen op de een of andere manier

voordeel bij hoe de zaken gingen. Zoals de kleine winkelier die de gangster

betaalt die de wijk beschermt. Het kost wat, maar je weet in iedere geval wat je

kunt verwachten, en aan wie je bescherming kunt vragen als een schurk uit de

aangrenzende wijk langskomt. De Italianen wisten bij wie ze om gunsten moesten

vragen en hoeveel dat kostte, hoe ze onder een boete uit konden komen, hoe ze

dank zij een aanbevelingsbrief een niet al te vermoeiend baantje konden krijgen

en hoe ze zonder al te veel concurrentie een overheidsopdracht in de wacht konden

slepen. Het kwam hun allemaal wel goed uit en daarom stemden ze, met hun neus

dicht.'

 

Die dichtgeknepen neus is een verwijzing naar het fameuze stemadvies dat Indro

Montanelli, oud-hoofdredacteur van de rechts-liberale krant Il Giornale,

in 1976 gaf: stem op de christen-democraten, want dat is altijd

beter dan de communisten, en knijp desnoods je neus dicht tegen de stank. Ook

toen al hing er een geur van corruptie rondom de regeringspartijen. Smeergeld is

niets nieuws in de Italiaanse politiek. Het eerste grote schandaal dateert uit

 1868 , toen de Italiaanse staat in de kinderschoenen stond, Florence

de hoofdstad was en in Rome de paus nog de baas was. Bij de gedeeltelijke

privatisering van de tabaksverkoop bleken koning Vittorio Emanuele  II, ministers en parlementsleden suikerklontjes te

hebben gekregen, zoals de steekpenningen toen werden genoemd. In de jaren daarna

zijn met vaste regelmaat grote en kleine corruptieaffaires aan het

licht gekomen.

 

Italië kent meer corruptieaffaires dan andere westerse landen. Een

van de redenen daarvoor is het ontbreken van echte machtswisselingen. Sinds de

eenwording vorige eeuw hebben er grofweg drie regimes bestaan: eerst de liberalen

en hun bondgenoten, daarna de fascisten, en na de Tweede Wereldoorlog de

christen-democraten. Gedurende elk van die drie periodes is de macht in één  hand

gebleven, wat de regerende klasse het gevoel gaf een vrijbrief te hebben om te

doen en te laten wat ze wilde. Daarbij komt dat ook vóór de eenwording corruptie

in grote delen van het huidige Italië eeuwenlang de regel is geweest. Dat geldt

zeker voor de gebieden in Zuid-Italië die nu worden geterroriseerd door de

georganiseerde misdaad: Sicilië, Campanië en Calabrië. Maar de meest fundamentele

oorzaak is het democratisch tekort van ¬Italië.

 De Italiaanse democratie is niet te vergelijken met het systeem zoals dat

meer naar het noorden bestaat. Het verschil zit niet in de regels. Formeel is

alles in orde, al zal Italië meer gevallen van stemfraude hebben gehad dan andere

EG-landen. Het probleem is de democratische cultuur. Noties als

burgerschap, verantwoordelijkheid en algemeen belang hebben in Italië veel minder

gewicht dan in de meeste andere westerse democratieën. Er is nauwelijks een

publieke moraal, een meetlat voor het gedrag van politici en burgers. Rechten en

plichten zijn relatief, elastisch; er moet over worden onderhandeld.

Dit democratische tekort is een erfenis van eeuwen die Italië met zich meedraagt

en ook in de anderhalve eeuw dat het als een land bestaat, niet heeft kunnen

veranderen. Een van de erflaters is het katholicisme. Als wereldlijk

bestuurder van de kerkelijke staat, die het hart van het huidige Italië besloeg,

pretendeerde de paus de uitvoerder van Gods wensen te zijn. Vaak werden

corruptie, misdaden en andere misstanden goedgepraat als middelen om een

hooggestemd goddelijk doel te verwezenlijken. De Kerkelijke Staat heeft aan

Italië een groep cynische onderdanen overgedaan voor wie corruptie onlosmakelijk

verbonden was aan bestuur.

Bovendien is in de katholieke cultuur meer aandacht besteed aan de individuele

dan aan de publieke moraal. Italianen hebben een groot en warm hart. Er zijn

weinig landen waar je zo hartelijk en welgemeend kunt worden geholpen als je met

problemen zit. Maar dat grote solidariteitsgevoel naar het individu is niet

gekoppeld aan een gevoel dat je de publieke zaak iets verplicht bent.

Biechtvaders zijn nauwelijks geïnteresseerd in steekpenningen en vergeven die al

snel voor een paar weesgegroetjes. Voor vergeving van seksuele uitspattingen moet

je harder bidden.

Italië heeft nooit een Reformatie gekend, waarin onder invloed van het

protestantisme een gezonde dosis persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel werd

geïnjecteerd in het openbare leven. De organisatie van de samenleving laat daar

ook nu nog weinig ruimte voor. Op veel kantoren hebben ondergeschikten niet

geleerd om een eigen verantwoordelijkheid te nemen, of mogen dat niet. Voor alle

beslissingen, zelfs de meest simpele, is het fiat nodig van de

capo, het hoofd van de afdeling. Daarbij is er nauwelijks verschil tussen

de overheid en de particuliere sector. Een journalist die een perscommuniqué

opvraagt dat al is vrijgegeven, krijgt het niet zonder het fiat van

de capo. In winkels vind je vaak maar een of twee mensen die het geld

mogen aanraken: er is een meisje om te verkopen, maar de baas of bazin komt van

zijn of haar stoel als er moet worden betaald.

Voor het zuiden van Italië komt daar de erfenis van eeuwenlang feodaal en

autoritair bestuur bij. In zijn baanbrekende boek Making Democracy Work

heeft de Amerikaanse onderzoeker Robert Putnam erop gewezen dat het noorden en

het zuiden van het Italiaanse schiereiland er rond de elfde eeuw ongeveer even

goed voor stonden, economisch gezien, en dat de grote kloof van nu verklaard moet

worden uit de verschillende opvattingen over burgerschap die in die tijd zijn

gevormd.

In het noorden begon in de elfde eeuw een tijdperk van politieke, economische en

culturele bloei, die het gebied veranderde in een verzameling onafhankelijke

communes met een voor die tijd revolutionaire invloed van de burgerij op het

stadsbestuur. Dit vergrootte de gevoelens van betrokkenheid en

verantwoordelijkheid. De inwoners van Florence, Pisa, Genua, Parma en vele andere

steden voelden zich betrokken bij hun stad. Dit idee van burgerschap is blijven

bestaan door de eeuwen heen, ook toen het bestuur autoritairder werd en het

noorden werd geteisterd door voortdurende invasies.

Voor het zuiden waren de elfde en de twaalfde eeuw eveneens een bloeiperiode.

Keizer Frederik II had op Sicilië de macht overgenomen van het

bewind dat de Noormannen daar hadden gevestigd, in een rijk dat ook het zuiden

van het Italiaanse vasteland omvatte. Hij bouwde voort op het werk van de

Noormannenkoning Roger II, die een voor die tijd geavanceerde

overheidsbureaucratie had opgezet, en stelde een van de eerste grondwetten van

Europa op. Frederik geldt als de meest verlichte vorst van zijn tijd. Nog steeds

herinneren gedenkstenen in Palermo aan de stupor mundi, de man die de

wereld versteld deed staan. Maar zijn bestuur, hoe verlicht ook, bleef

monarchistisch, feodaal en autoritair. Dat verergerde na zijn dood. Ook onder de

Spaanse en Franse vorsten die in de eeuwen daarna de scepter hebben gezwaaid in

Palermo en Napels, zijn de sociale verhoudingen feodaal gebleven. Het volk had

geen deel aan de macht. De mensen bogen voor hun heersers en probeerden hen

intussen te bedriegen. Die erfenis is in het zuiden nog steeds tastbaar en

beperkt de mogelijkheden voor verandering.

 Naast de erfenis van het verleden is het ontbreken van een cultuur van

burgerschap ook te verklaren uit een gebrekkige identificatie met de

Italiaanse staat. Het proces van eenwording vorige eeuw was vooral een

staatkundig proces. `Italië' was toen een fictie. De politieke,

economische en culturele verschillen waren enorm. Beroemd is de uitspraak van

Metternich: `Italië is een louter geografische expressie.' Voor velen

is dat na de eenwording niet veranderd.

 

Zelfs de taal was geen bindend element. De bovenste laag van de bevolking sprak

meestal wel Italiaans, een taal die voortkomt uit het dialect dat in de dertiende

eeuw in Toscane werd gesproken. Maar zelfs grondleggers van de Italiaanse staat

als Cavour en Mazzini voelden zich meer op hun gemak met Frans. In andere regio's

werden dialecten gesproken die meer teruggaan op het Latijn dan op het

`Toscaanse' Italiaans, dat ook voortkomt uit het Latijn. Tot aan het midden van

de negentiende eeuw ontbrak een staat die met scholen, kazernes en bureaucratie

één  manier van spreken en schrijven kon propageren. Maar ook daarna verliep de

taalkundige integratie moeizaam. Pas in het begin van deze eeuw werd iets

zichtbaar van een eenheidstaal, en niet eerder dan in de jaren vijftig en zestig,

toen de leerplicht en radio en tv hun invloed hadden gehad, kun je in zijn

algemeenheid zeggen dat de Italianen Italiaans spreken. Nog steeds spreken bijna

drie miljoen inwoners, meer dan vijf procent van de bevolking, een andere taal:

Albanees, Frans-Provencaals, Duits, Grieks, Ladino, Occitaans of Sloveens.

 ŒAdministratief en fiscaal is Rome het centrum geworden van Italië,maar cultureel niet. Rome is nooit een hoofdstad geweest met de zuigkracht van

Parijs, Berlijn of Londen. De geschiedenis heeft het land niet één , maar een

aantal hoofdsteden nagelaten, middelpunten van kleinere koninkrijken,

vorstendommen en graafschappen. Die regionale oriëntatie is ook na de eenwording

blijven bestaan. Voor miljoenen Italianen is niet Rome het referentiepunt, maar

de grote stad bij hen in de buurt. Italië heeft een tiental van dergelijke

centra. Behalve Rome zijn dat Milaan, Turijn, Genua, Venetië, Triëst, de

Toscaanse driehoek Florence en haar satellieten Siena en Pisa, Napels en Palermo.

Niemand heeft het probleem zo kernachtig samengevat als de staatsman-schrijver

Massimo D'Azeglio, een andere vader des vaderlands: `Italië is gemaakt, nu moeten

we de Italianen maken.' Mussolini heeft het geprobeerd, maar met zulke

desastreuze gevolgen dat er na de oorlog decennia lang een taboe heeft gerust op

het praten over de Italiaanse natie, het Italiaanse volk. Alleen de neofascisten

deden dat. Begrippen als nationale identiteit en patriottisme waren besmette

onderwerpen. De vlag is iets voor het stadion. Een van de bijverschijnselen van

de Italiaanse revolutie is dat de Italianen na gaan denken over wat hen bindt,

maar het antwoord op deze vraag gaat vooralsnog verloren in een enorme kakofonie.

De Italiaanse staat is er in de anderhalve eeuw van zijn bestaan slecht in

geslaagd zijn onderdanen aan zich te binden. `Recht' is lang een rekbaar begrip

geweest. Niet iedereen was gelijk voor de wet. Het kiesrecht is zeer geleidelijk

ingevoerd, net als lokale democratie. Stemfraude is een hardnekkig verschijnsel,

dat eind vorige eeuw nog de regel was: de prefecten die daaraan niet wilden

meewerken, werden overgeplaatst naar minder aantrekkelijke plaatsen. De

overheidsbureaucratie heeft nooit het karakter van dienaar van de burger gehad.

Informatie is niet telefonisch te krijgen. Mensen die een telefoonrekening willen

openen, een document van de burgerlijke stand opvragen, met de trein willen

reizen, zijn jarenlang utenti geweest, gebruikers zonder veel rechten. Als

bij de spoorwegen begin jaren negentig dit woord wordt vervangen door

clienti, klanten, veroorzaakt dat een ware revolutie. Het is even wennen.

Als een bejaarde mevrouw in Palermo een kwartier voor de officiële

sluitingstijd van het loket een kaartje voor Rome wil kopen, heeft de man achter

het loket geen zin meer. Morgen terugkomen, roept hij. Tekenend voor de

veranderde opstelling van Italianen is dat de mevrouw het niet pikt en twee

minuten later terugkomt, met twee agenten. `U kunt uzelf als een dood mens

beschouwen,' zegt de beambte dreigend als hij wordt meegenomen door de agenten.

De rechter veroordeelt hem tot tien maanden voorwaardelijk.

 

Meestal is de strijd tegen de bureaucratie niet zo eenvoudig gewonnen. De meeste

wettelijke regelingen zijn bijvoorbeeld onnodig gecompliceerd en verwarrend. Het

belastingbiljet bestond tot voor kort uit tientallen pagina's die vrijwel niemand

kon invullen zonder hulp van een beroeps. En zelfs de minister van Transport moet

toegeven dat de theorievragen van het rijexamen onbegrijpelijk zijn. De

overheidsbureaucratie is vaak een vijand van de burger. De gemiddelde Italiaan

verspilt twintig dagen per jaar in de rij voor een overheidsloket. Het is vooral

deze onvrede over een niet-functionerende overheid die mediamagnaat Silvio

Berlusconi in de verkiezingen van 1994 met succes weet aan te boren.

 

In het zuiden is de overheid bovendien lang als een vreemd en vijandig lichaam

gezien omdat het Risorgimento op gang is gezet in het noorden, vanuit de

regio Piemonte. Na de eenwording in 1860 kozen de Piemontese

eenmakers de kant van de landadel, in de gedachte dat het voor de eenmaking

belangrijker was de steun van de feodale klasse te winnen dan die van het volk.

Tot diep in deze eeuw is het lokale bestuur gedomineerd door de prefect, de man

die door Rome was gestuurd. Voor veel mensen in het zuiden veranderde er

nauwelijks iets in hun wereld van heren en horigen. Sommige historici

interpreteren de Italiaanse eenwording dan ook als een veroveringsoorlog door

Piemonte met steun van de Fransen, die de Oostenrijkse invloed in het noorden

wilden verminderen.

Door deze combinatie van factoren is de familie het belangrijkste referentiepunt.

Eeuwenlange vreemde overheersing op het schiereiland hebben de Italianen geleerd

de nadruk te leggen op het groepsbelang en een zeker cynisme te koesteren ten

opzichte van het openbaar bestuur. In de jaren vijftig hebben Amerikaanse

onderzoekers hiervoor de term `amoreel familisme' bedacht: er is geen ander

belang dan het groepsbelang, de rest kan ons gestolen worden. De Italianen zelf

praten liever over het particularismo, de cultuur van het eigenbelang. De

links-liberale filosoof Norberto Bobbio noemt het een van de

belangrijkste gebreken van Italië, nu eens resulterend in kruiperige

onderdanigheid, dan weer in asociaal gedrag.

De nadruk op het groepsbelang is versterkt door de grote maatschappelijke rol van

de politieke partijen na de oorlog. De contacten met de overheid verliepen via

hen. Wie ambtenaar wil worden, moet een politicus een baan vragen, wie wil slagen

voor zijn eindexamen, is gebaat bij een goed woordje van een politicus.

Overheidsinstellingen zijn niet neutraal, zij zijn een instrument in handen van

de partijen. Burgerrechten zijn in de praktijk gunsten die via de partij moeten

worden verworven. Niet de overheid beschermt de burger, maar de partij. Voor de

meeste christen-democratische en communistische politici is de verhouding

burger-partij veel belangrijker dan de verhouding burger-staat. Kleine partijen

die er anders over dachten, zoals de republikeinen en de liberalen, zijn

bijwagens gebleven. Burgerschap is een in essentie liberale notie, en het

liberale gedachtengoed heeft in Italië nooit echt wortel geschoten.

Dat verklaart ook waarom veel pogingen tot verzet zijn mislukt. Onafhankelijke

actiegroepen bestaan vrijwel niet in Italië en een gegroepeerd protest buiten de

partijen om is er, behalve even in de jaren zeventig, niet geweest. Italianen

zijn al zo individualistisch dat het moeilijk is hen te organiseren, maar

bovendien hebben de schaarse actiegroepen zich noodgedwongen op partijen gericht

en zijn daardoor ingekapseld. Een traditie van burgerlijke ongehoorzaamheid heeft

Italië nooit gehad. De burger weigert niet belasting te betalen, maar ontduikt.

Gewetenswroeging geeft dat niet, want de gemiddelde Italiaan voelt weinig

verplichtingen tegenover de staat. Wat van iedereen is, is van niemand, en mag

daarom worden kapotgemaakt, vervuild of ingepikt. In het zuiden is de prachtige

kust op veel plaatsen geruïneerd door lelijke villa's die daar in het wilde weg

zijn neergezet. Een typisch Italiaans gebaar is de nonchalante armbeweging

waarmee een sigarettepeuk, een lege mineraalwaterfles of een servetje

uit het autoraampje wordt gegooid. Het gebeurt zonder schuldgevoel, en de

argeloze buitenlander die hier iets van zegt, wordt verbaasd aangekeken.

 Zo ontstaat een archetype van de Italiaan: de furbo. Het is een

woord dat slimmerik betekent, maar met een ondertoon van sluwheid, dingen doen

ten koste van de gemeenschap. Een furbo is iemand die voordringt in de

winkel, die bij de bank de rij wachtende mensen negeert en een van de

bankemployés wenkt en fluisterend met hem in een hoek gaat staan, die

bij het stoplicht langs de voorgesorteerde file voor linksaf rijdt

om zich helemaal vooraan te posteren en als eerste de hoek om te gaan, die gratis

kaartjes regelt voor de opera of ervoor zorgt dat hij zonder betalen de

discotheek in komt, die via een aanbeveling een baan krijgt of een examen haalt,

die op zijn werk de presentielijst tekent en dan boodschappen gaat doen. Italië

is geen land waar iedereen gelijke rechten heeft. Je wordt geacht voor jezelf te

zorgen. Iemand die alles langs de officiële weg doet, wordt beschouwd

als un povero fesso, een simpele ziel die niet slim genoeg is voor

l'arte di arrangiarsi, de kunst van het regelen en ritselen.

De figuur van de furbo heeft zijn wortels in de historische

rebellie tegen buitenlandse overheersers, tegenover wie je ja zei en neen deed.

Hij is blijven bestaan bij een vijandige overheid, bij partijen die protesten

kanaliseerden en smoorden. Bij gebrek aan een publieke moraal, aan een manier om

mensen ter verantwoording te roepen, aan een gevoel van burgerschap, is een groot

deel van het land in de greep gekomen van het menefreghismo. Het woord is

ontleend aan de uitdrukking E che me ne frega?, wat zoiets betekent als

`Waar zou ik me druk om maken.' Het heeft wel iets vrolijks en onbekommerds, zo'n

instelling. Maar het is een zwaktebod. Volgens het duo Fruttero & Lucentini, twee

komisch-mora- listische schrijvers die het land vaak een spiegel voorhouden, is

l'arte di arrangiarsi de kunst van een machteloze. Het zijn de

evenwichtscapriolen van iemand zonder rechten die een speelbal is van de grillen

van het lot en van de nukken van mensen die de baas over hem spelen. De openlijke

minachting voor officiële regels gaat gepaard met een fatalistisch

gevoel dat verandering onmogelijk is.

 Dat is de echte Italiaanse paradox. Met name de Angelsaksische pers heeft

in de jaren tachtig uitgebreid geschreven over de paradox van een land met zoveel

problemen, met zoveel verlammende bureaucratie, met zoveel politieke crises, dat

toch in staat was tot een sterke economische ontwikkeling. Steevast werd daar de

astroloog Galileo Galilei bij gehaald en de uitspraak na zijn veroordeling:

Eppur si muove - en toch beweegt zij, de aarde. De kunst van het

regelen en ritselen verklaart een groot deel van die paradox. Een nog veel

grotere paradox is evenwel dat de kiezers de gelegenheid hadden een corrupte

groep politici weg te stemmen en dat niet hebben gedaan. Sommige kiezers

tolereerden alles uit angst voor het communisme, andere hadden zoveel voordeel

bij de situatie dat zij die niet wilden veranderen. En een grote groep zag geen

manier om het systeem te veranderen. Een aanzienlijk deel van de consensus is

passief geweest. Het onderzoek Schone Handen en de snelle opkomst van Lega Nord

hebben laten zien dat wel verandering mogelijk is. Het heeft een enorm gevoel van

bevrijding gegeven, al heeft de teleurstelling over de voortdurende politieke

chaos na de instorting van het oude bestel nieuwe voeding gegeven aan de

traditionele skepsis.

Een van de minder tastbare maar essentiële onderdelen van de Italiaanse revolutie

is het zoeken naar een nieuwe publieke moraal. Ministers treden af als ze van

corruptie worden beschuldigd, een breuk met de gewoonte om de storm uit te

zingen. Er worden voorbereidingen getroffen voor een `handvest van

de burger', waarin de rechten van de burger ten opzichte van de bureaucratie

worden vastgelegd. De telefoondienst betaalt schadevergoeding aan wie ten

onrechte wordt afgesloten. Een leraar in Palermo doet vlak voor de eindexamens

een oproep aan de scholieren om niet te aanvaarden dat hun ouders hen

`aanbevelen' bij de examinatoren. Als we een nieuw land willen, moeten we ook

onze mentaliteit veranderen, zegt hij.

Ook in de rijen op de postkantoren en bij de banken vind je daar iets van terug:

mensen dringen minder voor en reageren feller als iemand anders het toch doet,

uit gewoonte. Met een brandende sigaret de lift ingaan wordt steeds minder

geaccepteerd. De gemeente Napels begint een campagne tegen door rood licht

rijden. In discussies duiken de woorden plicht en verantwoordelijkheidsgevoel op.

Sommigen schieten zo ver door dat ze beweren dat overal elders in Europa de

burgers met een schepje achter hun hond aan lopen. En ook hoor je mensen zeggen

dat rijden zonder gordel een voorbeeld is van asociaal gedrag.

Met het zoeken naar een nieuwe publieke moraal gaat de relatief jonge Italiaanse

staat een nieuwe fase in. Het land heeft daarbij een grote behoefte aan

referentiepunten, aan mensen die een brug slaan tussen oud en nieuw. Di Pietro

vervult die functie als geen ander, zoals ook de vermoorde Falcone nog steeds een

voorbeeld is. En hoewel sommige mensen hem verfoeien als een aartsconservatieve

katholiek, kan ook president Oscar Luigi Scalfaro aanspraak maken op deze rol.

Hij heeft in ieder geval geen vuile handen. In zijn lange politieke loopbaan

binnen de christen-democratische partij waren plicht en

verantwoordelijkheidsgevoel belangrijker dan cliëntelisme en geldelijk gewin.

Politiek is voor Scalfaro een roeping, geen manier om rijk te worden.

Scalfaro wordt vlak na de moord op mafiabestrijder Giovanni Falcone

gekozen met steun van de ex-communistische Democratische Partij van Links. Voor

zijn eigen partij is hij derde keus, maar de koplopers Forlani en Andreotti zijn

in eerdere rondes uitgeschakeld. Al snel slaagt de nieuwe president erin een

bindmiddel en baken te worden in een land dat op ontploffen staat.

Hij laat zien dat de corruptie niet alles heeft aangetast. Scalfaro biedt kalmte

en bedachtzaamheid en werpt zich tegelijkertijd op als een garantie voor

politieke verandering. Kernwoorden in zijn eerste toespraken zijn burgerzin,

plicht, vaderlandsliefde, soberheid, oude waarden die vaak zijn vergeten. Hij

zegt dat bloed, zweet en opofferingen nodig zijn om het land weer op

de rails te krijgen. Op het feest van de Italiaanse republiek, op 2

juni, schaft hij de traditionele ontvangst voor de nomenklatoera van partijbonzen

en hoogwaardigheidsbekleders af en stelt de tuinen van het Quirinaal, het

presidentiële paleis, een paar uur open voor het publiek.

 

Scalfaro treedt minder op de voorgrond dan zijn voorganger Cossiga, en denkt na

voordat hij wat zegt. Wanneer de macht van de oude partijen afkalft, groeit die

van de president. Scalfaro bemoeit zich actief met kabinetsformaties. Hij spreekt

zijn veto uit over ministers die omstreden zijn, en zorgt ervoor dat het aantal

ministersposten wordt verminderd. Hij slaagt erin de greep van de partijleiders

op de samenstelling van een nieuw kabinet te verkleinen, al vergeet hij zijn

persoonlijke agenda niet: onder druk van Scalfaro is in 1993 de liberaal

Raffaele Costa bij een kabinetswisseling overgeplaatst van Gezondheid

naar een ander ministerie en vervangen door een christen-democraat die striktere

opvattingen heeft over abortus. Op drie sleutelmomenten in de Italiaanse

revolutie kiest hij voor verandering: in maart 1993 weigert hij het

decreet voor een amnestie in corruptiezaken te ondertekenen, een maand later

interpreteert hij het referendum over politieke hervormingen als een opdracht van

de kiezers om snel vervroegde verkiezingen te houden, en aan het eind van het

jaar verzet hij zich tegen pogingen om de vervroegde verkiezingen ver vooruit te

schuiven. Ook na de val van het oude bestel houdt Scalfaro vast aan zijn rol. Hij

eist garanties voor de eenheid van de Italiaanse staat als de Lega Nord aan de

macht komt in het kabinet-Berlusconi, en na de val van Berlusconi hamert hij erop

dat eerst de politieke spelregels moeten worden aangescherpt voordat opnieuw kan

worden gestemd.

Scalfaro is gelijk opgetrokken met de twee premiers tijdens de eerste twee jaar

van de Italiaanse revolutie en, na het intermezzo Berlusconi, met diens opvolger

Lamberto Dini. Premier Giuliano Amato, een van de weinige socialisten die

ongeschonden uit het smeergeldschandaal zijn gekomen, zette in 1992 de

economische sanering in, maar overleefde het onverteerbare amnestiedecreet niet

dat de oude garde hem in de maag splitste. Zijn opvolger, Carlo Azeglio Ciampi,

kreeg meer speelruimte ten opzichte van de politieke partijen. Toen er na het

referendum in april 1993 een nieuw kabinet moest komen, verruilde

hij op 72 -jarige leeftijd het gouverneurschap van de centrale bank

voor het premierschap en werd hij de eerste partijloze premier sinds de oorlog.

Een jaar daarvoor had hij bij zijn jaarlijkse overzicht van de

financiële situatie gezegd: `Het is ontoelaatbaar dat een samenleving

die zich bewust is van de aard van haar problemen en van de maatregelen die nodig

zijn om ze op te lossen, en die beschikt over de middelen om dat te

bewerkstelligen, niet in staat is om in actie te komen.' Bij zijn aantreden

stelde Ciampi zichzelf twee taken: het land ongeschonden naar vervroegde

verkiezingen leiden en de lire verdedigen.

Beide heeft hij uitstekend gedaan. De inflatie daalde, ondanks de

devaluatie, met ongeveer 25 procent ten opzichte van de zomer van

 1992 . Een loonakkoord met de vakbonden heeft daar veel aan

bijgedragen. Na jaren van aarzeling en tijd rekken onder voorgaande kabinetten

begon de privatisering op gang te komen. De sanering van de overheidsuitgaven

ging voort en voor het eerst in jaren bleef het begrotingstekort ongeveer binnen

de gestelde doelen. Het jaar 1993 werdt afgesloten met een tekort

van 153 biljoen lire, toen ongeveer 185 miljard gulden

en 9,8 procent van het bruto nationaal produkt. Het jaar daarvoor

was het tekort nog 10,5 procent van het bnp. Onder Ciampi is het

begrotingstekort in toom gebracht, al zullen er nog jaren van pijnlijke ingrepen

nodig zijn om het land op gelijke hoogte te brengen met zijn belangrijkste

EG-partners.

Ook als politieke loods heeft Ciampi zich ontpopt als een politicus met de allure

van een staatsman. Hij gebruikte de chaos na de bomaanslagen in Rome en Milaan

om de nieuwe kieswet door het parlement te drukken. Hij waagde zich in een van

de belangrijkste broeinesten van intriges en begon met de reorganisatie van de

geheime diensten. Ciampi liet zien dat het land niet per definitie

onbestuurbaar is, dat je in Italië politiek kunt bedrijven zonder je te verliezen

in byzantijnse intriges. Samen met Scalfaro maakte hij in januari

 1994 de laatste desperate politieke manoeuvres om vervroegde

verkiezingen te voorkomen onschadelijk. Hij liep weg uit de Kamer van

Afgevaardigden toen er een motie van vertrouwen werd ingediend, in een

ingewikkelde tactiek van de oude garde om te voorkomen dat Ciampi zou aftreden

en zo president Scalfaro de gelegenheid zou geven verkiezingen uit te schrijven.

Het indienen van die motie was een stukje politiek toneel à la Pirandello.

Gelukkig houdt Ciampi meer van Goethe, een auteur die hij in het Duits leest.

 Scalfaro, Amato en Ciampi en de begin 1995 aangetreden Dini hebben het

vertrouwen in het politieke bestuur enigszins hersteld. Zij vertegenwoordigen een

Italië dat niet gevangen zit in cynisme en politieke corruptie. Overal in het

land zijn groepen opgekomen die de nieuwe of in ere herstelde idealen van

burgerschap preken, die op zoek gaan naar een nieuw zelfbeeld. Een van de meest

prominente daarvan is Società civile. Dit is een groep van advocaten en

rechters, architecten en hoogleraren, artsen en intellectuelen, die zich ten doel

stelt naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur af te dwingen en het

geschonden vertrouwen tussen burgers en instituties te herstellen. Het is

begonnen in Milaan, waar Società civile al sinds 1985 de

lokale corruptie aan de kaak stelt. Daarna zijn er afdelingen gekomen in Turijn,

Palermo en Reggio Calabria. Ook procureur Gherardo Colombo is lid geweest van de

groep, maar hij laat zich niet meer zien sinds het corruptieschandaal is

uitgebroken. Iedere vorm van belangenverstrengeling moet worden voorkomen.

 

`Wij zijn het protest van de hogere middenklasse,' zegt Jole Garuti in een royaal

en kostbaar ingericht appartement in Milaan. Zij is een gepensioneerd lerares

geschiedenis die het voorzitterschap van de organisatie op zich heeft genomen.

Gekleed in een mantelpakje schenkt zij martini voor de bezoekers, en ze vertelt

dat de leden van Società Civile vaak mensen zijn die in het verleden enige

afstand hebben bewaard tot de politiek en dat zo willen houden, maar

tegelijkertijd hun onvrede naar buiten willen brengen. `Wij willen vooral het

idee van berusting wegnemen, dat nergens iets aan te doen zou zijn. Het systeem

moet veranderen,' zegt Garuti.

Een van haar hoofddoelen is te voorkomen dat corrupte politici vrijuit gaan, want

iedereen moet zijn verantwoordelijkheid nemen. `In het verleden is er vaak een

condono geweest, een soort amnestie, ook voor de gewone burger die de

belasting had ontdoken of de bouwvoorschriften had overtreden. Het idee dat er

altijd wel een condono zal zijn, moet verdwijnen. We hebben steeds te veel

vergeven. Dat is een probleem van onze godsdienst. We zouden iets minder

katholiek moeten worden.'

`De kiezers hebben zich lang voor de gek laten houden, ook al omdat we liever

over voetbal en liedjes praten dan over politiek,' zegt Garuti. `Natuurlijk, we

hebben zelf deze politici gekozen. Maar de situatie is nu helemaal veranderd.

Veertig jaar lang zijn in Italië de regeringen geboren uit de gedachte dat het

beter was deze politici te verdragen die niet perfect waren, dan het risico te

lopen de vrijheid kwijt te raken en in de handen van de communisten te komen. Nu

is alles veranderd. Na de naamsverandering zijn de communisten er niet meer, dus

we kunnen gaan praten over echte democratische regels. De Italianen zijn niet

bereid terug te keren naar zoals het was. En als we erin slagen de politieke

klasse weg te krijgen, worden we een ander volk.'

Dat is het optimisme dat hoort bij een revolutie. Maar de grote schoonmaak in de

politiek kan niet meer dan een begin zijn. Società civile is de voorhoede

van Italië. In Milaan en elders moet nog veel gebeuren. Een samenleving die

jarenlang heeft geleefd in een sfeer van a- en immoraliteit, verandert niet als

haar politieke klasse wordt vervangen. De culturele revolutie in Italië is nog

maar net begonnen.

 

 

 

Ga terug naar startpagina van De Italiaanse revolutie of lees het volgende hoofdstuk

 

 

Deze website is gemaakt door Marc Leijendekker
teksten © 2007 en 1994-1996