|
7 Così fan tutti |
||
|
De woede van de Italiaanse kiezers, hun
gescheld op Craxi en Andreotti, de muntjes die ze gooiden, het is niet
gespeeld en komt recht uit het hart. Italië is boos en het zegt basta. Maar dezelfde
politici die aan de schandpaal zijn genageld, werden eind jaren tachtig
nog bewierookt. Hoe kan dat? Voor een deel omdat niet bekend was hoe
omvangrijk de corruptie was geworden, hoe schaamteloos er werd gestolen, hoe
systematisch de steekpenningen werden opgelegd. Maar ook omdat veel Italianen
in zekere zin medeplichtig waren; niet direct aan corruptie, maar aan een
bepaalde benadering van de verhouding tussen overheid en burger. De Italianen zijn niet allemaal
slachtoffer geweest. Het land was geen weerloze prooi van corrupte
politici en ondernemers die mooi weer speelden met het geld dat ze brave burgers
afhandig maakten. In ieder geval een deel van de corruptie is getolereerd door in
ieder geval een deel van de bevolking. In grote lijnen wisten de kiezers dat er
van hoog tot laag werd gestolen. Abraham Lincoln zei het al: je kunt alle mensen
een poosje voor de gek houden, je kunt zelfs sommige mensen altijd voor de gek
houden, maar je kunt niet alle mensen altijd voor de gek houden. Politici hebben voor miljoenen aan
smeergeld binnengehaald, maar ook gewone burgers hebben hun grote of kleine
bedrog. De advocaat en de specialist betalen nauwelijks belasting. De winkelier
verzwijgt een deel van zijn inkomsten. De huiseigenaar laat de helft van de huur
zwart betalen. De tandarts heeft tarieven met en zonder rekening. De marktkoopman
verkoopt gestolen goed, de rokers kopen op straat goedkope sigaretten waarvan ze
weten dat het smokkelwaar is. De aannemer bouwt waar hij niet mag bouwen.
De ambtenaar komt een uur later binnen, doet boodschappen in werktijd en gaat
een uur eerder naar huis, nadat hij smeergeld heeft aangenomen om een
aanvraag voor een vergunning te behandelen. De specialist verwijst 's ochtends zijn
patiënten in het staatsziekenhuis door naar zijn kostbare spreekuur 's middags, of,
nog erger, praat patiënten kanker aan om ze in zijn eigen kliniek voor veel geld
te kunnen bestralen. De boer int EG-subsidie voor nooit verbouwde
tomaten, soja of olijven. De politieagent doet tegen betaling in
contanten of in natura een oogje dicht. Tv-presentatoren ontvangen
honderdduizenden guldens onder tafel voor sponsoring in hun programma. Journalisten laten
zich vorstelijk betalen voor een eenvoudige schnabbel. Een hoogleraar mag een
prijzig advies uitbrengen. De lijst is eindeloos. Het gaat niet om
incidenten en uitzonderingen, maar om gedrag dat in grote delen van de
samenleving wordt geaccepteerd. Politici hebben hun villa op een Caribisch eiland, maar
miljoenen gewone Italianen hebben een tweede huis aan zee of in de bergen. Ook
zij drinken champagne en malt whisky, twee dranken waarvan Italië per hoofd
van de bevolking de grootste importeur is. Een deel van de bevolking, vooral mensen
in de overheidssector en de vrije beroepen, is partner geworden in een
stilzwijgend akkoord waarin iedereen zijn gang mag gaan. Così fan tutti - ze doen
het allemaal. De vrede is gekocht. Niet alleen in de
vorm van een lakse opstelling door de staat, niet alleen met fictieve
invaliditeitspensioenen of overbodige overheidsbanen, maar ook met
staatsobligaties. Het potverteren door de staat heeft veel Italianen rijk gemaakt. Om de
enorme staatsschuld te kunnen dekken, betaalde de staat een rente die boven de
marktrente lag. Miljoenen Italianen hebben overheidsstukken gekocht en zo
hun spaarcenten consumptief in plaats van produktief gebruikt. Volgens cijfers uit
1993 bezit de gemiddelde familie honderdtwintig miljoen lire,
ongeveer honderdvijftigduizend gulden. Een derde daarvan is in staatsstukken. Zelfs
in de laagste inkomensgroepen heeft een op de vijf gezinnen staatsstukken,
terwijl het percentage Italianen dat aandelen heeft, aanzienlijk lager ligt dan in de
meeste andere industrielanden. Politieke partijen kochten hun macht met geld dat
ze van toekomstige generaties leenden, en ze speelden een deel daarvan door aan
de burgers. Het is een van de redenen dat veel Italianen het begrotingstekort
lang niet als een bedreiging hebben gevoeld. De morele kwestie, zoals de Italianen
het corruptieschandaal graag noemen, speelt daarom niet alleen in de politiek. In
heel de publieke moraal is de rot gekomen. Naarmate de smeergeldaffaires groter en
omvangrijker worden, groeit het besef dat zij niet alleen de
politiek raken. Ook verklaarde tegenstanders van de oude partijen roepen deemoedig mea
culpa. `Als er zoveel discutabele figuren zijn
geweest, twintig, dertig, veertig jaar lang, is dat omdat wij op
ze hebben gestemd en ze hebben gekozen. We konden ze wegjagen en we hebben het
niet gedaan,' zegt filmregisseur Ermanno Olmi. De bejaarde
filosoof Norberto Bobbio, de goeroe van liberaal links,
herinnert eraan dat iedereen op de hoogte was van de corruptie, dat iedereen wist
hoe machtig de mafia was: `Het is het failliet van een hele natie,
en niet alleen van de politieke klasse die nu voortdurend en met grote woede
wordt beschuldigd door degenen die haar jarenlang hebben gesteund en de
consensus hebben geboden om te kunnen regeren.' Als de socialisten worden uitgejouwd,
zegt de socioloog Alessandro Pizzorno: `Niet iedereen kan zich dat permitteren.
Ik geloof niet in een tweedeling van de moraal in die binnen de samenleving en
die binnen de staat. Na het Verzet was de politieke klasse, hoewel cultureel
gezien wat achtergebleven, beschaafder dan de samenleving die zij vertegenwoordigde,
zij had een zekere degelijkheid. Vandaag de dag is die voorsprong van de politiek
als <169>het betere deel<170> er niet meer, maar het is niet zo dat de
politici een samenleving van beschaafde burgers hebben verraden: de arrogantie van de
een is nu even groot als de arrogantie van de ander.' Umberto Eco voegt zich bij dit koor als
de schandalen een nieuw hoogtepunt hebben bereikt met de beschuldiging dat
oud-premier Andreotti een journalist heeft laten vermoorden door de mafia en de gevreesde
peetvader Totò Riina met een kus op de wang heeft begroet. Hij
schrijft in zijn wekelijkse column in het weekblad L'Espresso: `Er was geen
overkoepelend orgaan van corrupten dat het land heeft uitgeperst. In zekere zin
had iedereen op de een of andere manier voordeel bij hoe de zaken gingen. Zoals
de kleine winkelier die de gangster betaalt die de wijk beschermt. Het kost
wat, maar je weet in iedere geval wat je kunt verwachten, en aan wie je
bescherming kunt vragen als een schurk uit de aangrenzende wijk langskomt. De
Italianen wisten bij wie ze om gunsten moesten vragen en hoeveel dat kostte, hoe ze
onder een boete uit konden komen, hoe ze dank zij een aanbevelingsbrief een niet
al te vermoeiend baantje konden krijgen en hoe ze zonder al te veel concurrentie
een overheidsopdracht in de wacht konden slepen. Het kwam hun allemaal wel goed
uit en daarom stemden ze, met hun neus dicht.' Die dichtgeknepen neus is een verwijzing
naar het fameuze stemadvies dat Indro Montanelli, oud-hoofdredacteur van de
rechts-liberale krant Il Giornale, in 1976 gaf: stem op de
christen-democraten, want dat is altijd beter dan de communisten, en knijp
desnoods je neus dicht tegen de stank. Ook toen al hing er een geur van corruptie
rondom de regeringspartijen. Smeergeld is niets nieuws in de Italiaanse politiek.
Het eerste grote schandaal dateert uit 1868 , toen de Italiaanse staat in
de kinderschoenen stond, Florence de hoofdstad was en in Rome de paus nog
de baas was. Bij de gedeeltelijke privatisering van de tabaksverkoop
bleken koning Vittorio Emanuele II,
ministers en parlementsleden suikerklontjes te hebben gekregen, zoals de steekpenningen
toen werden genoemd. In de jaren daarna zijn met vaste regelmaat grote en kleine
corruptieaffaires aan het licht gekomen. Italië kent meer corruptieaffaires dan
andere westerse landen. Een van de redenen daarvoor is het ontbreken
van echte machtswisselingen. Sinds de eenwording vorige eeuw hebben er grofweg
drie regimes bestaan: eerst de liberalen en hun bondgenoten, daarna de fascisten,
en na de Tweede Wereldoorlog de christen-democraten. Gedurende elk van
die drie periodes is de macht in één
hand gebleven, wat de regerende klasse het
gevoel gaf een vrijbrief te hebben om te doen en te laten wat ze wilde. Daarbij
komt dat ook vóór de eenwording corruptie in grote delen van het huidige Italië
eeuwenlang de regel is geweest. Dat geldt zeker voor de gebieden in Zuid-Italië
die nu worden geterroriseerd door de georganiseerde misdaad: Sicilië,
Campanië en Calabrië. Maar de meest fundamentele oorzaak is het democratisch tekort van
¬Italië. De Italiaanse democratie is niet
te vergelijken met het systeem zoals dat meer naar het noorden bestaat. Het
verschil zit niet in de regels. Formeel is alles in orde, al zal Italië meer
gevallen van stemfraude hebben gehad dan andere EG-landen. Het probleem is de
democratische cultuur. Noties als burgerschap, verantwoordelijkheid en
algemeen belang hebben in Italië veel minder gewicht dan in de meeste andere westerse
democratieën. Er is nauwelijks een publieke moraal, een meetlat voor het
gedrag van politici en burgers. Rechten en plichten zijn relatief, elastisch; er
moet over worden onderhandeld. Dit democratische tekort is een erfenis
van eeuwen die Italië met zich meedraagt en ook in de anderhalve eeuw dat het als
een land bestaat, niet heeft kunnen veranderen. Een van de erflaters is het
katholicisme. Als wereldlijk bestuurder van de kerkelijke staat, die
het hart van het huidige Italië besloeg, pretendeerde de paus de uitvoerder van
Gods wensen te zijn. Vaak werden corruptie, misdaden en andere misstanden
goedgepraat als middelen om een hooggestemd goddelijk doel te
verwezenlijken. De Kerkelijke Staat heeft aan Italië een groep cynische onderdanen
overgedaan voor wie corruptie onlosmakelijk verbonden was aan bestuur. Bovendien is in de katholieke cultuur
meer aandacht besteed aan de individuele dan aan de publieke moraal. Italianen
hebben een groot en warm hart. Er zijn weinig landen waar je zo hartelijk en
welgemeend kunt worden geholpen als je met problemen zit. Maar dat grote
solidariteitsgevoel naar het individu is niet gekoppeld aan een gevoel dat je de
publieke zaak iets verplicht bent. Biechtvaders zijn nauwelijks geïnteresseerd
in steekpenningen en vergeven die al snel voor een paar weesgegroetjes. Voor
vergeving van seksuele uitspattingen moet je harder bidden. Italië heeft nooit een Reformatie
gekend, waarin onder invloed van het protestantisme een gezonde dosis
persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel werd geïnjecteerd in het openbare leven. De
organisatie van de samenleving laat daar ook nu nog weinig ruimte voor. Op veel
kantoren hebben ondergeschikten niet geleerd om een eigen
verantwoordelijkheid te nemen, of mogen dat niet. Voor alle beslissingen, zelfs de meest simpele, is
het fiat nodig van de capo, het hoofd van de afdeling. Daarbij
is er nauwelijks verschil tussen de overheid en de particuliere sector.
Een journalist die een perscommuniqué opvraagt dat al is vrijgegeven, krijgt
het niet zonder het fiat van de capo. In winkels vind je vaak maar
een of twee mensen die het geld mogen aanraken: er is een meisje om te
verkopen, maar de baas of bazin komt van zijn of haar stoel als er moet worden
betaald. Voor het zuiden van Italië komt daar de
erfenis van eeuwenlang feodaal en autoritair bestuur bij. In zijn
baanbrekende boek Making Democracy Work heeft de Amerikaanse onderzoeker Robert
Putnam erop gewezen dat het noorden en het zuiden van het Italiaanse
schiereiland er rond de elfde eeuw ongeveer even goed voor stonden, economisch gezien, en
dat de grote kloof van nu verklaard moet worden uit de verschillende opvattingen
over burgerschap die in die tijd zijn gevormd. In het noorden begon in de elfde eeuw
een tijdperk van politieke, economische en culturele bloei, die het gebied
veranderde in een verzameling onafhankelijke communes met een voor die tijd
revolutionaire invloed van de burgerij op het stadsbestuur. Dit vergrootte de
gevoelens van betrokkenheid en verantwoordelijkheid. De inwoners van
Florence, Pisa, Genua, Parma en vele andere steden voelden zich betrokken bij hun
stad. Dit idee van burgerschap is blijven bestaan door de eeuwen heen, ook toen
het bestuur autoritairder werd en het noorden werd geteisterd door
voortdurende invasies. Voor het zuiden waren de elfde en de
twaalfde eeuw eveneens een bloeiperiode. Keizer Frederik II had op Sicilië de
macht overgenomen van het bewind dat de Noormannen daar hadden
gevestigd, in een rijk dat ook het zuiden van het Italiaanse vasteland omvatte.
Hij bouwde voort op het werk van de Noormannenkoning Roger II, die een voor
die tijd geavanceerde overheidsbureaucratie had opgezet, en
stelde een van de eerste grondwetten van Europa op. Frederik geldt als de meest
verlichte vorst van zijn tijd. Nog steeds herinneren gedenkstenen in Palermo aan
de stupor mundi, de man die de wereld versteld deed staan. Maar zijn
bestuur, hoe verlicht ook, bleef monarchistisch, feodaal en autoritair.
Dat verergerde na zijn dood. Ook onder de Spaanse en Franse vorsten die in de
eeuwen daarna de scepter hebben gezwaaid in Palermo en Napels, zijn de sociale
verhoudingen feodaal gebleven. Het volk had geen deel aan de macht. De mensen bogen
voor hun heersers en probeerden hen intussen te bedriegen. Die erfenis is in
het zuiden nog steeds tastbaar en beperkt de mogelijkheden voor
verandering. Naast de erfenis van het verleden
is het ontbreken van een cultuur van burgerschap ook te verklaren uit een
gebrekkige identificatie met de Italiaanse staat. Het proces van
eenwording vorige eeuw was vooral een staatkundig proces. `Italië' was toen
een fictie. De politieke, economische en culturele verschillen
waren enorm. Beroemd is de uitspraak van Metternich: `Italië is een louter
geografische expressie.' Voor velen is dat na de eenwording niet veranderd. Zelfs de taal was geen bindend element.
De bovenste laag van de bevolking sprak meestal wel Italiaans, een taal die
voortkomt uit het dialect dat in de dertiende eeuw in Toscane werd gesproken. Maar
zelfs grondleggers van de Italiaanse staat als Cavour en Mazzini voelden zich meer
op hun gemak met Frans. In andere regio's werden dialecten gesproken die meer
teruggaan op het Latijn dan op het `Toscaanse' Italiaans, dat ook voortkomt
uit het Latijn. Tot aan het midden van de negentiende eeuw ontbrak een staat
die met scholen, kazernes en bureaucratie één
manier van spreken en schrijven kon propageren. Maar ook daarna
verliep de taalkundige integratie moeizaam. Pas in
het begin van deze eeuw werd iets zichtbaar van een eenheidstaal, en niet
eerder dan in de jaren vijftig en zestig, toen de leerplicht en radio en tv hun
invloed hadden gehad, kun je in zijn algemeenheid zeggen dat de Italianen
Italiaans spreken. Nog steeds spreken bijna drie miljoen inwoners, meer dan vijf
procent van de bevolking, een andere taal: Albanees, Frans-Provencaals, Duits,
Grieks, Ladino, Occitaans of Sloveens. ŒAdministratief en fiscaal is
Rome het centrum geworden van Italië,maar cultureel niet. Rome is nooit
een hoofdstad geweest met de zuigkracht van Parijs, Berlijn of Londen. De
geschiedenis heeft het land niet één , maar een aantal hoofdsteden nagelaten,
middelpunten van kleinere koninkrijken, vorstendommen en graafschappen. Die
regionale oriëntatie is ook na de eenwording blijven bestaan. Voor miljoenen
Italianen is niet Rome het referentiepunt, maar de grote stad bij hen in de buurt. Italië
heeft een tiental van dergelijke centra. Behalve Rome zijn dat Milaan,
Turijn, Genua, Venetië, Triëst, de Toscaanse driehoek Florence en haar
satellieten Siena en Pisa, Napels en Palermo. Niemand heeft het probleem zo kernachtig
samengevat als de staatsman-schrijver Massimo D'Azeglio, een andere vader des
vaderlands: `Italië is gemaakt, nu moeten we de Italianen maken.' Mussolini heeft
het geprobeerd, maar met zulke desastreuze gevolgen dat er na de oorlog
decennia lang een taboe heeft gerust op het praten over de Italiaanse natie, het
Italiaanse volk. Alleen de neofascisten deden dat. Begrippen als nationale
identiteit en patriottisme waren besmette onderwerpen. De vlag is iets voor het
stadion. Een van de bijverschijnselen van de Italiaanse revolutie is dat de
Italianen na gaan denken over wat hen bindt, maar het antwoord op deze vraag gaat
vooralsnog verloren in een enorme kakofonie. De Italiaanse staat is er in de
anderhalve eeuw van zijn bestaan slecht in geslaagd zijn onderdanen aan zich te
binden. `Recht' is lang een rekbaar begrip geweest. Niet iedereen was gelijk voor
de wet. Het kiesrecht is zeer geleidelijk ingevoerd, net als lokale democratie.
Stemfraude is een hardnekkig verschijnsel, dat eind vorige eeuw nog de regel was:
de prefecten die daaraan niet wilden meewerken, werden overgeplaatst naar
minder aantrekkelijke plaatsen. De overheidsbureaucratie heeft nooit het
karakter van dienaar van de burger gehad. Informatie is niet telefonisch te
krijgen. Mensen die een telefoonrekening willen openen, een document van de burgerlijke
stand opvragen, met de trein willen reizen, zijn jarenlang utenti geweest,
gebruikers zonder veel rechten. Als bij de spoorwegen begin jaren negentig
dit woord wordt vervangen door clienti, klanten, veroorzaakt dat een
ware revolutie. Het is even wennen. Als een bejaarde mevrouw in Palermo een
kwartier voor de officiële sluitingstijd van het loket een kaartje
voor Rome wil kopen, heeft de man achter het loket geen zin meer. Morgen
terugkomen, roept hij. Tekenend voor de veranderde opstelling van Italianen is
dat de mevrouw het niet pikt en twee minuten later terugkomt, met twee
agenten. `U kunt uzelf als een dood mens beschouwen,' zegt de beambte dreigend
als hij wordt meegenomen door de agenten. De rechter veroordeelt hem tot tien
maanden voorwaardelijk. Meestal is de strijd tegen de
bureaucratie niet zo eenvoudig gewonnen. De meeste wettelijke regelingen zijn bijvoorbeeld
onnodig gecompliceerd en verwarrend. Het belastingbiljet bestond tot voor kort
uit tientallen pagina's die vrijwel niemand kon invullen zonder hulp van een
beroeps. En zelfs de minister van Transport moet toegeven dat de theorievragen van het
rijexamen onbegrijpelijk zijn. De overheidsbureaucratie is vaak een vijand
van de burger. De gemiddelde Italiaan verspilt twintig dagen per jaar in de
rij voor een overheidsloket. Het is vooral deze onvrede over een
niet-functionerende overheid die mediamagnaat Silvio Berlusconi in de verkiezingen van 1994
met succes weet aan te boren. In het zuiden is de overheid bovendien
lang als een vreemd en vijandig lichaam gezien omdat het Risorgimento op gang is
gezet in het noorden, vanuit de regio Piemonte. Na de eenwording in 1860
kozen de Piemontese eenmakers de kant van de landadel, in de
gedachte dat het voor de eenmaking belangrijker was de steun van de feodale
klasse te winnen dan die van het volk. Tot diep in deze eeuw is het lokale
bestuur gedomineerd door de prefect, de man die door Rome was gestuurd. Voor veel
mensen in het zuiden veranderde er nauwelijks iets in hun wereld van heren
en horigen. Sommige historici interpreteren de Italiaanse eenwording
dan ook als een veroveringsoorlog door Piemonte met steun van de Fransen, die
de Oostenrijkse invloed in het noorden wilden verminderen. Door deze combinatie van factoren is de
familie het belangrijkste referentiepunt. Eeuwenlange vreemde overheersing op het
schiereiland hebben de Italianen geleerd de nadruk te leggen op het groepsbelang
en een zeker cynisme te koesteren ten opzichte van het openbaar bestuur. In de
jaren vijftig hebben Amerikaanse onderzoekers hiervoor de term `amoreel
familisme' bedacht: er is geen ander belang dan het groepsbelang, de rest kan
ons gestolen worden. De Italianen zelf praten liever over het particularismo,
de cultuur van het eigenbelang. De links-liberale filosoof Norberto Bobbio
noemt het een van de belangrijkste gebreken van Italië, nu
eens resulterend in kruiperige onderdanigheid, dan weer in asociaal
gedrag. De nadruk op het groepsbelang is
versterkt door de grote maatschappelijke rol van de politieke partijen na de oorlog. De
contacten met de overheid verliepen via hen. Wie ambtenaar wil worden, moet een
politicus een baan vragen, wie wil slagen voor zijn eindexamen, is gebaat bij een
goed woordje van een politicus. Overheidsinstellingen zijn niet
neutraal, zij zijn een instrument in handen van de partijen. Burgerrechten zijn in de
praktijk gunsten die via de partij moeten worden verworven. Niet de overheid
beschermt de burger, maar de partij. Voor de meeste christen-democratische en
communistische politici is de verhouding burger-partij veel belangrijker dan de
verhouding burger-staat. Kleine partijen die er anders over dachten, zoals de
republikeinen en de liberalen, zijn bijwagens gebleven. Burgerschap is een
in essentie liberale notie, en het liberale gedachtengoed heeft in Italië
nooit echt wortel geschoten. Dat verklaart ook waarom veel pogingen
tot verzet zijn mislukt. Onafhankelijke actiegroepen bestaan vrijwel niet in
Italië en een gegroepeerd protest buiten de partijen om is er, behalve even in de
jaren zeventig, niet geweest. Italianen zijn al zo individualistisch dat het
moeilijk is hen te organiseren, maar bovendien hebben de schaarse
actiegroepen zich noodgedwongen op partijen gericht en zijn daardoor ingekapseld. Een
traditie van burgerlijke ongehoorzaamheid heeft Italië nooit gehad. De burger weigert
niet belasting te betalen, maar ontduikt. Gewetenswroeging geeft dat niet, want de
gemiddelde Italiaan voelt weinig verplichtingen tegenover de staat. Wat
van iedereen is, is van niemand, en mag daarom worden kapotgemaakt, vervuild of
ingepikt. In het zuiden is de prachtige kust op veel plaatsen geruïneerd door
lelijke villa's die daar in het wilde weg zijn neergezet. Een typisch Italiaans
gebaar is de nonchalante armbeweging waarmee een sigarettepeuk, een lege
mineraalwaterfles of een servetje uit het autoraampje wordt gegooid. Het
gebeurt zonder schuldgevoel, en de argeloze buitenlander die hier iets van
zegt, wordt verbaasd aangekeken. Zo ontstaat een archetype van de
Italiaan: de furbo. Het is een woord dat slimmerik betekent, maar met
een ondertoon van sluwheid, dingen doen ten koste van de gemeenschap. Een furbo
is iemand die voordringt in de winkel, die bij de bank de rij wachtende
mensen negeert en een van de bankemployés wenkt en fluisterend met
hem in een hoek gaat staan, die bij het stoplicht langs de
voorgesorteerde file voor linksaf rijdt om zich helemaal vooraan te posteren en
als eerste de hoek om te gaan, die gratis kaartjes regelt voor de opera of ervoor
zorgt dat hij zonder betalen de discotheek in komt, die via een
aanbeveling een baan krijgt of een examen haalt, die op zijn werk de presentielijst
tekent en dan boodschappen gaat doen. Italië is geen land waar iedereen gelijke
rechten heeft. Je wordt geacht voor jezelf te zorgen. Iemand die alles langs de officiële
weg doet, wordt beschouwd als un povero fesso, een simpele ziel
die niet slim genoeg is voor l'arte di arrangiarsi, de kunst van het
regelen en ritselen. De figuur van de furbo heeft zijn
wortels in de historische rebellie tegen buitenlandse
overheersers, tegenover wie je ja zei en neen deed. Hij is blijven bestaan bij een vijandige
overheid, bij partijen die protesten kanaliseerden en smoorden. Bij gebrek
aan een publieke moraal, aan een manier om mensen ter verantwoording te roepen, aan
een gevoel van burgerschap, is een groot deel van het land in de greep gekomen
van het menefreghismo. Het woord is ontleend aan de uitdrukking E che me ne
frega?, wat zoiets betekent als `Waar zou ik me druk om maken.' Het
heeft wel iets vrolijks en onbekommerds, zo'n instelling. Maar het is een zwaktebod.
Volgens het duo Fruttero & Lucentini, twee komisch-mora- listische schrijvers die
het land vaak een spiegel voorhouden, is l'arte di arrangiarsi de kunst van een
machteloze. Het zijn de evenwichtscapriolen van iemand zonder
rechten die een speelbal is van de grillen van het lot en van de nukken van mensen
die de baas over hem spelen. De openlijke minachting voor officiële regels gaat
gepaard met een fatalistisch gevoel dat verandering onmogelijk is. Dat is de echte Italiaanse
paradox. Met name de Angelsaksische pers heeft in de jaren tachtig uitgebreid
geschreven over de paradox van een land met zoveel problemen, met zoveel verlammende
bureaucratie, met zoveel politieke crises, dat toch in staat was tot een sterke
economische ontwikkeling. Steevast werd daar de astroloog Galileo Galilei bij gehaald en
de uitspraak na zijn veroordeling: Eppur si muove - en toch beweegt zij, de
aarde. De kunst van het regelen en ritselen verklaart een groot
deel van die paradox. Een nog veel grotere paradox is evenwel dat de
kiezers de gelegenheid hadden een corrupte groep politici weg te stemmen en dat
niet hebben gedaan. Sommige kiezers tolereerden alles uit angst voor het
communisme, andere hadden zoveel voordeel bij de situatie dat zij die niet wilden
veranderen. En een grote groep zag geen manier om het systeem te veranderen. Een
aanzienlijk deel van de consensus is passief geweest. Het onderzoek Schone
Handen en de snelle opkomst van Lega Nord hebben laten zien dat wel verandering
mogelijk is. Het heeft een enorm gevoel van bevrijding gegeven, al heeft de
teleurstelling over de voortdurende politieke chaos na de instorting van het oude
bestel nieuwe voeding gegeven aan de traditionele skepsis. Een van de minder tastbare maar essentiële
onderdelen van de Italiaanse revolutie is het zoeken naar een nieuwe publieke
moraal. Ministers treden af als ze van corruptie worden beschuldigd, een breuk
met de gewoonte om de storm uit te zingen. Er worden voorbereidingen
getroffen voor een `handvest van de burger', waarin de rechten van de
burger ten opzichte van de bureaucratie worden vastgelegd. De telefoondienst
betaalt schadevergoeding aan wie ten onrechte wordt afgesloten. Een leraar in
Palermo doet vlak voor de eindexamens een oproep aan de scholieren om niet te
aanvaarden dat hun ouders hen `aanbevelen' bij de examinatoren. Als we
een nieuw land willen, moeten we ook onze mentaliteit veranderen, zegt hij. Ook in de rijen op de postkantoren en
bij de banken vind je daar iets van terug: mensen dringen minder voor en reageren
feller als iemand anders het toch doet, uit gewoonte. Met een brandende sigaret
de lift ingaan wordt steeds minder geaccepteerd. De gemeente Napels begint
een campagne tegen door rood licht rijden. In discussies duiken de woorden
plicht en verantwoordelijkheidsgevoel op. Sommigen schieten zo ver door dat ze
beweren dat overal elders in Europa de burgers met een schepje achter hun hond
aan lopen. En ook hoor je mensen zeggen dat rijden zonder gordel een voorbeeld
is van asociaal gedrag. Met het zoeken naar een nieuwe publieke
moraal gaat de relatief jonge Italiaanse staat een nieuwe fase in. Het land heeft
daarbij een grote behoefte aan referentiepunten, aan mensen die een
brug slaan tussen oud en nieuw. Di Pietro vervult die functie als geen ander,
zoals ook de vermoorde Falcone nog steeds een voorbeeld is. En hoewel sommige mensen
hem verfoeien als een aartsconservatieve katholiek, kan ook president Oscar Luigi
Scalfaro aanspraak maken op deze rol. Hij heeft in ieder geval geen vuile
handen. In zijn lange politieke loopbaan binnen de christen-democratische partij
waren plicht en verantwoordelijkheidsgevoel belangrijker
dan cliëntelisme en geldelijk gewin. Politiek is voor Scalfaro een roeping,
geen manier om rijk te worden. Scalfaro wordt vlak na de moord op
mafiabestrijder Giovanni Falcone gekozen met steun van de
ex-communistische Democratische Partij van Links. Voor zijn eigen partij is hij derde keus,
maar de koplopers Forlani en Andreotti zijn in eerdere rondes uitgeschakeld. Al snel
slaagt de nieuwe president erin een bindmiddel en baken te worden in een
land dat op ontploffen staat. Hij laat zien dat de corruptie niet
alles heeft aangetast. Scalfaro biedt kalmte en bedachtzaamheid en werpt zich
tegelijkertijd op als een garantie voor politieke verandering. Kernwoorden in
zijn eerste toespraken zijn burgerzin, plicht, vaderlandsliefde, soberheid,
oude waarden die vaak zijn vergeten. Hij zegt dat bloed, zweet en opofferingen
nodig zijn om het land weer op de rails te krijgen. Op het feest van de
Italiaanse republiek, op 2 juni, schaft hij de traditionele
ontvangst voor de nomenklatoera van partijbonzen en hoogwaardigheidsbekleders af en stelt
de tuinen van het Quirinaal, het presidentiële paleis, een paar uur open
voor het publiek. Scalfaro treedt minder op de voorgrond
dan zijn voorganger Cossiga, en denkt na voordat hij wat zegt. Wanneer de macht
van de oude partijen afkalft, groeit die van de president. Scalfaro bemoeit zich
actief met kabinetsformaties. Hij spreekt zijn veto uit over ministers die
omstreden zijn, en zorgt ervoor dat het aantal ministersposten wordt verminderd. Hij
slaagt erin de greep van de partijleiders op de samenstelling van een nieuw
kabinet te verkleinen, al vergeet hij zijn persoonlijke agenda niet: onder druk van
Scalfaro is in 1993 de liberaal Raffaele Costa bij een kabinetswisseling
overgeplaatst van Gezondheid naar een ander ministerie en vervangen
door een christen-democraat die striktere opvattingen heeft over abortus. Op drie
sleutelmomenten in de Italiaanse revolutie kiest hij voor verandering: in
maart 1993 weigert hij het decreet voor een amnestie in
corruptiezaken te ondertekenen, een maand later interpreteert hij het referendum over
politieke hervormingen als een opdracht van de kiezers om snel vervroegde
verkiezingen te houden, en aan het eind van het jaar verzet hij zich tegen pogingen om
de vervroegde verkiezingen ver vooruit te schuiven. Ook na de val van het oude
bestel houdt Scalfaro vast aan zijn rol. Hij eist garanties voor de eenheid van de
Italiaanse staat als de Lega Nord aan de macht komt in het kabinet-Berlusconi, en
na de val van Berlusconi hamert hij erop dat eerst de politieke spelregels moeten
worden aangescherpt voordat opnieuw kan worden gestemd. Scalfaro is gelijk opgetrokken met de
twee premiers tijdens de eerste twee jaar van de Italiaanse revolutie en, na het
intermezzo Berlusconi, met diens opvolger Lamberto Dini. Premier Giuliano Amato,
een van de weinige socialisten die ongeschonden uit het smeergeldschandaal
zijn gekomen, zette in 1992 de economische sanering in, maar overleefde
het onverteerbare amnestiedecreet niet dat de oude garde hem in de maag
splitste. Zijn opvolger, Carlo Azeglio Ciampi, kreeg meer speelruimte ten opzichte van
de politieke partijen. Toen er na het referendum in april 1993 een nieuw
kabinet moest komen, verruilde hij op 72 -jarige leeftijd het
gouverneurschap van de centrale bank voor het premierschap en werd hij de
eerste partijloze premier sinds de oorlog. Een jaar daarvoor had hij bij zijn
jaarlijkse overzicht van de financiële situatie gezegd: `Het is
ontoelaatbaar dat een samenleving die zich bewust is van de aard van haar
problemen en van de maatregelen die nodig zijn om ze op te lossen, en die beschikt
over de middelen om dat te bewerkstelligen, niet in staat is om in
actie te komen.' Bij zijn aantreden stelde Ciampi zichzelf twee taken: het
land ongeschonden naar vervroegde verkiezingen leiden en de lire
verdedigen. Beide heeft hij uitstekend gedaan. De
inflatie daalde, ondanks de devaluatie, met ongeveer 25 procent ten
opzichte van de zomer van 1992 . Een loonakkoord met de
vakbonden heeft daar veel aan bijgedragen. Na jaren van aarzeling en
tijd rekken onder voorgaande kabinetten begon de privatisering op gang te komen.
De sanering van de overheidsuitgaven ging voort en voor het eerst in jaren
bleef het begrotingstekort ongeveer binnen de gestelde doelen. Het jaar 1993 werdt
afgesloten met een tekort van 153 biljoen lire, toen ongeveer 185
miljard gulden en 9,8 procent van het bruto nationaal
produkt. Het jaar daarvoor was het tekort nog 10,5 procent van het
bnp. Onder Ciampi is het begrotingstekort in toom gebracht, al
zullen er nog jaren van pijnlijke ingrepen nodig zijn om het land op gelijke hoogte
te brengen met zijn belangrijkste EG-partners. Ook als politieke loods heeft Ciampi
zich ontpopt als een politicus met de allure van een staatsman. Hij gebruikte de
chaos na de bomaanslagen in Rome en Milaan om de nieuwe kieswet door het parlement
te drukken. Hij waagde zich in een van de belangrijkste broeinesten van
intriges en begon met de reorganisatie van de geheime diensten. Ciampi liet zien dat
het land niet per definitie onbestuurbaar is, dat je in Italië
politiek kunt bedrijven zonder je te verliezen in byzantijnse intriges. Samen met
Scalfaro maakte hij in januari 1994 de laatste desperate
politieke manoeuvres om vervroegde verkiezingen te voorkomen onschadelijk.
Hij liep weg uit de Kamer van Afgevaardigden toen er een motie van
vertrouwen werd ingediend, in een ingewikkelde tactiek van de oude garde
om te voorkomen dat Ciampi zou aftreden en zo president Scalfaro de gelegenheid
zou geven verkiezingen uit te schrijven. Het indienen van die motie was een
stukje politiek toneel à la Pirandello. Gelukkig houdt Ciampi meer van Goethe,
een auteur die hij in het Duits leest. Scalfaro, Amato en Ciampi en de
begin 1995 aangetreden Dini hebben het vertrouwen in het politieke bestuur
enigszins hersteld. Zij vertegenwoordigen een Italië dat niet gevangen zit in cynisme
en politieke corruptie. Overal in het land zijn groepen opgekomen die de
nieuwe of in ere herstelde idealen van burgerschap preken, die op zoek gaan
naar een nieuw zelfbeeld. Een van de meest prominente daarvan is Società civile.
Dit is een groep van advocaten en rechters, architecten en hoogleraren,
artsen en intellectuelen, die zich ten doel stelt naleving van de beginselen van
behoorlijk bestuur af te dwingen en het geschonden vertrouwen tussen burgers en
instituties te herstellen. Het is begonnen in Milaan, waar Società civile
al sinds 1985 de lokale corruptie aan de kaak stelt.
Daarna zijn er afdelingen gekomen in Turijn, Palermo en Reggio Calabria. Ook
procureur Gherardo Colombo is lid geweest van de groep, maar hij laat zich niet meer zien
sinds het corruptieschandaal is uitgebroken. Iedere vorm van
belangenverstrengeling moet worden voorkomen. `Wij zijn het protest van de hogere
middenklasse,' zegt Jole Garuti in een royaal en kostbaar ingericht appartement in
Milaan. Zij is een gepensioneerd lerares geschiedenis die het voorzitterschap van
de organisatie op zich heeft genomen. Gekleed in een mantelpakje schenkt zij
martini voor de bezoekers, en ze vertelt dat de leden van Società Civile vaak
mensen zijn die in het verleden enige afstand hebben bewaard tot de politiek
en dat zo willen houden, maar tegelijkertijd hun onvrede naar buiten
willen brengen. `Wij willen vooral het idee van berusting wegnemen, dat nergens
iets aan te doen zou zijn. Het systeem moet veranderen,' zegt Garuti. Een van haar hoofddoelen is te voorkomen
dat corrupte politici vrijuit gaan, want iedereen moet zijn verantwoordelijkheid
nemen. `In het verleden is er vaak een condono geweest, een soort amnestie, ook
voor de gewone burger die de belasting had ontdoken of de
bouwvoorschriften had overtreden. Het idee dat er altijd wel een condono zal zijn, moet
verdwijnen. We hebben steeds te veel vergeven. Dat is een probleem van onze
godsdienst. We zouden iets minder katholiek moeten worden.' `De kiezers hebben zich lang voor de gek
laten houden, ook al omdat we liever over voetbal en liedjes praten dan over
politiek,' zegt Garuti. `Natuurlijk, we hebben zelf deze politici gekozen. Maar
de situatie is nu helemaal veranderd. Veertig jaar lang zijn in Italië de
regeringen geboren uit de gedachte dat het beter was deze politici te verdragen die
niet perfect waren, dan het risico te lopen de vrijheid kwijt te raken en in
de handen van de communisten te komen. Nu is alles veranderd. Na de
naamsverandering zijn de communisten er niet meer, dus we kunnen gaan praten over echte
democratische regels. De Italianen zijn niet bereid terug te keren naar zoals het
was. En als we erin slagen de politieke klasse weg te krijgen, worden we een
ander volk.' Dat is het optimisme dat hoort bij een
revolutie. Maar de grote schoonmaak in de politiek kan niet meer dan een begin
zijn. Società civile is de voorhoede van Italië. In Milaan en elders moet
nog veel gebeuren. Een samenleving die jarenlang heeft geleefd in een sfeer van
a- en immoraliteit, verandert niet als haar politieke klasse wordt vervangen.
De culturele revolutie in Italië is nog maar net begonnen.
|
||
|
Ga terug naar startpagina van De Italiaanse revolutie of lees het volgende hoofdstuk
|
||
|
Deze
website is gemaakt door Marc Leijendekker |