|
6 Vergogna |
||
|
Een zachte lenteochtend in Verona. Het
is zondagmorgen, en tientallen mensen genieten van het mooie weer door
wat op en neer te kuieren op het brede trottoir naast de Romeinse Arena. De
meesten hebben hun zondagse kleren aan en zijn net naar de mis geweest - Verona
ligt in de `witte' regio Veneto, vanouds een bolwerk van de
christen-democraten. 's Zomers wordt dit plein in beslag genomen door toeristen die komen
kijken naar de Aïda, naar Turandot of La Traviata. Nu is de stad
van de Veronezen zelf. Ze genieten er zichtbaar van. Achter deze zondagsrust, achter dit
bedaagde gekuier en vriendelijke gegroet naar bekenden, schuilt een diepe wrok. Ineens
kan die tot uitbarsting komen. Het is voldoende als iemand zwaait met de krant
of wijst naar het gemeentehuis, waarop iemand met grote zwarte letters Conso
sei stronzo heeft gekalkt - Conso, je bent een klootzak. Conso staat
voor Giovanni Conso, de minister van Justitie die een dag eerder een decreet
heeft ingediend voor een gedeeltelijke amnestie in het smeergeldschandaal. Heel Italië komt deze zondag in
opstand. Het is de roerigste dag van de Italiaanse revolutie, samen met de dag
waarop het parlement besluit Craxi te beschermen tegen de justitie en die
waarop premier Berlusconi probeert met een decreet de smeergeldonderzoeken te
blokkeren. De faxen en telefooncentrales bij president Scalfaro en bij de premier
staan roodgloeiend, en op veel plaatsen worden demonstraties gehouden. Aan het
eind van de dag speelt Scalfaro zijn rol van vader des vaderlands door aan te
kondigen dat hij het decreet niet zal ondertekenen. Ook Verona, het kalme, bedaagde Verona,
een van die middelgrote steden in het noorden van Italië waar het leven goed
is, trilt van verontwaardiging. Het is niet de rauwe woede van de protestpartij
Lega Nord. De mensen praten kalm, zien nuances. `We moeten niet heel de
politiek failliet verklaren,' zegt een vrouw in een lange lichte bontjas - de sociale
outcasts zijn hier de vrouwen die géén bont dragen. `Er zijn genoeg jongeren
die de plaats van de oude garde kunnen opvullen.' Maar de kritiek is er niet
minder om. Geen enkel pardon voor de politici die van corruptie worden
verdacht. `Het is onaanvaardbaar dat iemand die jarenlang heeft gestolen, daarvoor niet
wordt gestraft,' zegt een man van middelbare leeftijd fel. `We moeten daar
geen enkel pardon mee hebben. Ze moeten allemaal tegen de muur.' Op mijn ongelovige blik herhaalt hij het
nog een keer. `Allemaal tegen de muur.' Het is een refrein dat overal te horen
is in de groepjes die her en daar staan te praten. De bejaarde man in zijn
kasjmier jas zegt het en de middelbare vrouw in het bont. Ook de punk die wat
verdwaald tussen deze nette burgers rondloopt, verklaart dat hij het niet zo heeft
gevolgd maar dat de kogel het enige is dat corrupte politici verdienen. Het is de woede van een stad die zich
bedrogen voelt. Verona is onderbelicht gebleven in de corruptie-affaire, maar
hier zijn relatief gezien meer mensen gearresteerd dan in Milaan. Bijna
iedere dag wordt een nieuw hoofdstuk geschreven in wat een plaatselijke krant
de val van de goden heeft genoemd. Als de socialisten moeten verhuizen uit hun
oude partijbureau omdat ze dat, zonder smeergeld en met een dalend ledental,
niet meer kunnen betalen en onderdak zoeken in een appartement in een flatgebouw,
proberen medebewoners hun komst tegen te houden. Ze doen een beroep op
de anti-prostitutiebepaling uit het huisreglement die `immorele activiteit'
verbiedt - overigens tevergeefs. Op een bank in het parkje bij de Arena
verklaart Nadir Welponer de volgende dag in een donkerblauwe houtje-touwtje-jas
de woede van zijn stad. Welponer, lid van de ex-communistische Democratische
Partij van Links, is een voormalige metaalarbeider die is uitgegroeid tot de
Savonarola van Verona. Jarenlang heeft hij informatie verzameld over de
plaatselijke corruptie, stukken uitgeknipt, dossiers aangelegd. Nu ook hier de
smeergeldschandalen zijn losgebarsten, is hij een belangrijke vraagbaak geworden voor
de justitie. Op het gemeentehuis is de slogan tegen
minister Conso die nacht weggeveegd: Verona is een propere stad. Maar de
woede van de bevolking is niet zo makkelijk uit te vlakken. `Onze stad is de
afgelopen jaren gedomineerd door zo'n vijftig, zestig mensen, ondernemers, politici,
bankdirecteuren,' vertelt Welponer. In zijn ogen is Verona nog erger dan Milaan.
`Hier lopen alle functies door elkaar. Een partijsecretaris is tegelijkertijd
wethouder of loco-burgemeester, is tegelijkertijd een ondernemer, en dan
leidt hij ook nog een grote verzekeringsmaatschappij in onze stad of
staat hij aan het hoofd van een openbaar nutsbedrijf. Eén man doet vier, vijf
dingen tegelijkertijd. Dat heeft geleid tot een concentratie van de macht in weinig
handen.' Daarom kom je steeds dezelfde mensen
tegen bij de openbare werken die in Verona zijn uitgevoerd. En dat zijn er veel
geweest: de verbetering van het stadion en de aanleg van wegen in verband met het
wereldkampioenschap voetbal in 1990, de bouw van
vuilverbrandingsovens aan de rand van de stad, de uitbreiding van het ziekenhuis. Welponer
schat dat er in een paar jaar meer dan een miljard gulden aan openbare werken
is besteed. Daarvan is volgens hem tussen de vijftig en honderd miljoen gulden
terechtgekomen in de zakken van corrupte politici en ondernemers. `De
hoofdrolspelers waren steeds dezelfde. Politici zorgden ervoor dat de administratieve
aktes van de gemeente werden goedgekeurd, ingenieursbureaus verzorgden de
planning, en het werk werd uitgevoerd door bepaalde ondernemers. Samen spraken ze
af hoeveel smeergeld er zou worden betaald en hoe dat moest worden verdeeld.' Een voorbeeld is de nieuwe vleugel van
het ziekenhuis, een opdracht van meer dan twintig miljoen gulden. `De leiders van
de christen-democraten en de socialisten gingen om de tafel zitten met drie
bedrijven. Ze verzekerden hun dat ze de opdracht zouden krijgen en vroegen in
ruil daarvoor een percentage van ongeveer zes procent.' Een ander voorbeeld zijn
de vuilstortplaatsen, waarover vaak twee keer smeergeld is betaald. Op veel
plaatsen in de heuvels rondom Verona vertoont het landschap grote gaten: stukken grond
ter grootte van een paar voetbalvelden, die zijn afgegraven om daar de kiezels
vandaan te halen die door de rivier de Adige uit de Alpen zijn meegevoerd. De
kiezels zijn het witte goud van Verona. Maar ook na de afgraving kan zo'n kuil
geld waard zijn, veel geld. `Een groep van ondernemers, voorgezeten door de
president van de grootste bank van Verona, koopt bijvoorbeeld voor minder dan een miljard
lire (ongeveer 1,2 miljoen gulden) zo'n afgraving om er een
vuilstortplaats van te maken,' vertelt Welponer. `Dan regelen ze administratieve
vergunningen om er een stortplaats voor speciaal afval van te maken, en in een paar
maanden is de waarde gestegen naar vijftien, twintig miljard lire.' Wie in de weg zit, wordt opzij geduwd.
De christen-democraat Graziano Tovo, lid van de regioraad, is wegens zijn actie
tegen de afgravingen in zijn been geschoten. `Het had me bijna mijn knie
gekost,' vertelt hij laconiek, zijn broekspijp optillend om het litteken van
het schampschot te laten zien. `Ik dacht eerst dat het een grapje was. Er waren
kinderen voor mijn huis aan het voetballen, en toen ik uit de auto
stapte, rende er een jongen op me af. Hij begon te schieten en toen ben ik
gevallen. Toen ik opstond, zag ik dat er bloed was.' Hij heeft nog geprobeerd achter de
jongen aan te rennen, maar die wist te ontkomen. De aanslag is nooit
opgehelderd. Door alle smeergeldschandalen kunnen de
politici in Verona die jarenlang de dienst hebben uitgemaakt, mensen met
namen als Sboarini en De Rossi, niet meer over straat. Ze worden uitgescholden.
Welponer vindt het een gezonde reactie. `Het zijn personages waar iedereen voor
knielde, die werden vereerd, die de redders van het vaderland leken en
steeds op de voorpagina's van de kranten stonden. Nu blijkt dat ze betrokken zijn
bij het mechanisme van corruptie, de steekpenningen, dat ze schuldig zijn aan
de rampen die deze stad hebben getroffen.' `Voor een publiek iemand is het ergste
niet simpel de gevangenis ingaan,' zegt hij, `het ergste is de macht te
verliezen die hij eerst had. Vroeger benaderden de mensen politici als Sboarini met
respect. Nu hebben ze het respect verloren en dat is voor hen het ergste.' De reactie is hetzelfde in heel Italië.
De mensen willen straf en wraak. De gangmakers in deze strafexpeditie zijn
de protestpartij Lega Nord, de neofascistische Sociale Beweging MSI en
de anti-mafiapartij
La Rete. Een Kamerlid van de Lega haalt tijdens een rechtstreeks uitgezonden debat een strop
te voorschijn. Bij andere debatten in Kamer en Senaat worden muntjes en
proppen papier naar de kamerleden van de regeringspartijen gegooid. Op
manifestaties van de Lega roepen mensen: `We zullen niet rusten totdat Andreotti en al die
andere dieven en bedriegers achter de tralies zitten. Desnoods zetten we ze er
zelf achter.' Professor ¬Gianfranco Miglio, de ideoloog van de Lega, knikt
goedkeurend en zegt: `Lynchen is een vorm van rechtspreken in de hoogste betekenis
van het woord.' Jonge, kaalgeschoren neofascisten
sluiten in het roerige voorjaar van 1993 de ingang van het parlement
af met een dichte, dreigende haag. Ze zwepen zichzelf op door te springen
zoals de ultra's in het stadion doen. `Dieven, dieven,' scanderen ze.
`Geef je over, jullie zijn omsingeld.' Dezelfde dag loeien in Napels, in de
zaal waar de gemeenteraad vergadert, de sirenes uit een spuitbus, een
stadionattribuut. Een gemeenteraadslid wordt door twee andere tegen een balustrade
gegooid. Op zoek naar projectielen rukken sommige raadsleden microfoons los.
Neofascisten hebben een plastic zak met water meegenomen en gooien die naar hun
politieke vijanden. `Jullie moeten je schoonwassen,' roepen ze. Dat jaar regent het incidenten. Naarmate
er meer wordt onthuld over het smeergeld dat de partijen hebben binnengehaald,
over de banden van politici met de mafia, groeit de woede. Zij wordt verder
aangewakkerd door het uitblijven van werkelijke veranderingen
en door het tijdrekken van politici. Het zijn niet alleen rechtse of linkse
extremisten die zich roeren, niet alleen maar heet- gebakerde jongeren. Als premier
Amato een lezing houdt op de Bocconi-universiteit in Milaan, het
Harvard van Italië, onthalen keurige studenten hem op `clown' en `dief' -
Amato's naam is niet gevallen in een smeergeldschandaal, maar hij leidt een
kabinet dat wordt gesteund door de oude partijen. Als oud-minister van
Buitenlandse Zaken Gianni De Michelis, de flamboyante De Michelis die altijd een
andere jonge schone meenam naar de disco en riep dat zijn critici
zwartkijkers waren, een verklaring heeft afgelegd tegenover de Venetiaanse
rechters, wordt hij ontdekt en achtervolgd door een boze menigte. Hij kan zich alleen
nog maar in veiligheid brengen door in een watertaxi te springen. De schaarse keren
dat Craxi zich nog vertoont, wordt hij uitgescholden en bekogeld. Een
sportschool in Milaan, Studio Fiztness, hangt een boksbal op met de beeltenis van Craxi,
en mensen leven zich daar zo vaak en zo hard op uit dat de boksbal in recordtijd
moet worden vervangen. Als oud-minister van Gezondheid Francesco De Lorenzo, de
man die ook uit aids nog smeergeld wist te slaan, aan boord wil gaan van de boot
van Capri naar Napels, wordt hij door medepassagiers letterlijk van boord
gewerkt, zoals boze buspassagiers in Rome zigeunerjongetjes eruit zetten die aan
het zakkenrollen zijn. De meeste politici nemen het zekere voor het onzekere en
verdwijnen uit het zicht. Een enkeling waarschuwt tegen snelrecht,
maar de woede is algemeen voelbaar. Marcello Mastroianni, de lieveling van
miljoenen filmfans, grijpt zijn kans als hij in Parijs een
dankwoord houdt voor de Légion d'Honneur waarmee de Franse staat hem heeft
onderscheiden. `Dat ze allemaal in de boeien worden geslagen, die dieven, die
bedriegers. Herinnert u zich de middeleeuwen? Ik zou ze allemaal in een kooi stoppen,
en laten hangen in wind en regen.' Deze primaire reacties, vooral de scènes
in het parlement, roepen een gevoel op van chaos. Maar tegelijkertijd scheppen
ze duidelijkheid. De politieke verandering is niet meer tegen te
houden, daarvoor is de afkeer van de corrupte oude garde te groot. Het oude bestel
wankelt. Dat beeld wordt verscherpt na de uitbarstingen van woede als de Kamer
eind april 1193 weigert de parlementaire onschendbaarheid van Craxi op te heffen
in de belangrijkste aanklachten tegen hem. Vergogna,
schande, weerklinkt het de volgende dag over straten en pleinen, in bars en op
kantoren. De krant La
Repubblica gebruikt het woord Vergogna als
openingskop, in de grootste letter die beschikbaar is. Het hele land schreeuwt
het uit, want veel mensen hangen de krant voor het raam of plakken hem op de
winkeldeur. Het justitiële onderzoek Mani
Pulite en de uitstraling daarvan naar andere gerechtshoven in Italië hebben
vaart en richting gegeven aan de volkswoede, maar de onvrede broeide al
jaren onderhuids. Een belangrijke katalysator in deze omslag onder de
bevolking is president Francesco Cossiga geweest, die in het voorjaar van 1992
werd opgevolgd door Oscar Luigi Scalfaro. Terwijl de protestpartij
Lega Nord van buitenaf het systeem aanviel, leverde Cossiga begin jaren
negentig harde kritiek van binnenuit. De Italiaanse politiek is gedegenereerd,
zei Cossiga. De grote politieke partijen `bezetten de staat en de samenleving, op
gevaarlijke, discriminerende en vaak prepotente manieren'. Houweelslagen
tegen een versteend politiek systeem, zo noemde Cossiga zijn felle uithalen. Hij
hekelde de `Brezjneviaanse stagnatie' in Italië, en toen de Russische leider
Boris Jeltsin op bezoek kwam, liet hij trots een politieke spotprent zien waarop ze
beiden met een houweel waren afgebeeld: twee slopers van een systeem dat
zichzelf had overleefd. Cossiga's optreden veroorzaakte enorme
beroering. Jarenlang had hij zich als president op de achtergrond gehouden.
Sinds zijn verkiezing in 1985 was Cossiga de stille, kleurloze notaris
geweest die linten doorknipt, parades afneemt en doet wat er verder wordt
verwacht van een voornamelijk ceremoniële president. Hij was zo gereserveerd, zo
weinig spontaan, dat hij ook wel de trieste kangoeroe werd genoemd. Maar in
1990 kwam de ommekeer, ingeluid door het beroemd geworden
zinnetje: `Ik heb last van een paar steentjes in mijn schoen.' Met wat hij op zijn
lever had zocht Cossiga de media op, genietend van de schijnwerpers, en
passant de gelegenheid aangrijpend om een aantal persoonlijke vetes uit te
vechten. In zijn uitdagende verklaringen is hij regelmatig zijn staatsrechtelijke boekje
te buiten gegaan, maar de mensen die niet door zijn harde, rancuneuze
aanvallen werden getroffen, vonden het prachtig. Cossiga is zo een
aanvoerder geworden van het protest van het volk, een wegbereider van de Italiaanse
revolutie. Hij zei dat de politieke partijen zo verblind zijn door hun byzantijnse
machtsspel dat zij de roep om verandering vanuit de samenleving niet horen. De
mafia moordt straffeloos, het begrotingstekort is
onbeheersbaar, de steden stikken in de smog, post, telefoon en openbaar
vervoer zijn op Derde-Wereldniveau, de overheidsbureaucratie blijft een
ondoorzichtig kluwen van vriendjespolitiek, corruptie en minachting voor de burger;
maar de politici blijven hun onderlinge schaakspelletjes spelen. `Ik weet dat ik provoceer,' zei Cossiga.
`Het zou veel makkelijker zijn geweest, veel minder pijnlijk, om te doen wat ik
eerst deed: een toespraak bij een opening en een handkus aan de dames.' Maar nu
`doe ik al het mogelijke om een stilstaand moeras in beweging te krijgen'. De persoonlijke omslag van de president
weerspiegelde de veranderde stemming binnen de samenleving. De steun voor hem
onder de bevolking nam snel toe, al raakte hij binnen de palazzi van de
macht vrijwel even snel geïsoleerd. Sommigen weten de uitbarstingen van Cossiga aan
pilletjes die hij nam om manische depressiviteit te bestrijden, anderen
verklaarden hem voor gek. `Ik ben niet gek,' zei Cossiga, `ik speel de gek. Dat
is iets anders. Ik ben de voorgewende gek die de zaken vertelt zoals ze zijn.'
Hij speelde zijn rol met al de kwaliteiten en gebreken van zijn
karakter: de koppigheid van een Sardijn, de vaak onbesuisde en overtrokken reacties van
een in wezen verlegen en gesloten man die besloten heeft eindelijk zijn mond open
te doen, en het gevoel voor theater van een door de wol geverfde politicus. In Cossiga's ontboezemingen, zoals hij
ze zelf noemde, waren twee constanten. De eerste was de constatering dat het
Italiaanse stelsel volledig is vastgelopen en op de helling moet voor een ingrijpende
revisie. Dit was niet nieuw, maar het was voor het eerst dat een van de
belangrijkste exponenten van het stelsel zelf het zo duidelijk zei. Cossiga kondigde zelfs
aan dat hij na zijn presidentschap niet zou terugkeren in de
christen-democratische partij. De tweede constante was dat er ruimte is
voor politieke veranderingen omdat de politieke tweedeling in
christen-democraten en communisten na het neerhalen van de Berlijnse Muur geen zin meer heeft.
Het communistische gevaar is er niet meer, be¬toogde Cossiga, bovendien hebben de
Italiaanse communisten hun naam veranderd, en daarmee vervalt het argument om
desnoods met dichtgeknepen neus de christen-democraten of hun
coalitiepartners te blijven steunen. Juist in de uitwerking van deze gedachte maakte
Cossiga zich veel vijanden en schoot hij door. Voor het heden verwees hij de
politieke tweedeling naar de prullenbak, maar hij verdedigde die van vroeger, toen de
bestrijding van het communisme hoge prioriteit had. Cossiga wilde niets
weten van een mogelijke rol van het geheime verzetsnetwerk Gladio in aanslagen die
gericht waren tegen de communistische oppositie. Hij verdedigde zelfs de
vrijmetselaarsloge Propaganda Due, die heeft geprobeerd een staat binnen de staat te
vormen. In het verleden zijn misschien vuile handen gemaakt, maar dat was
noodzakelijk en dus toelaatbaar en daarom moet het verleden met rust worden gelaten,
was de boodschap van Cossiga. Deze blinde vlekken van Cossiga hebben
de impact van zijn politieke stellingname verminderd. Critici zeiden dat hij leed
aan een chronisch onvermogen om zijn mond te houden. Cossiga maakte zoveel stampei
dat een deel van zijn boodschap verloren ging. Maar op essentiële momenten in de
aanloop naar de Italiaanse revolutie stond hij vooraan, als spreekbuis van
een volk dat schreeuwde om verandering. Een van die noodkreten van het
volk was het referendum van juni 1991 . Het ging over een klein
onderdeel van de kieswet: de afschaffing van de meervoudige
voorkeurstem. Dat lijkt een detail, iets technisch waarvan niemand
opgewonden kan raken. Maar de meervoudige voorkeurstem is een van de belangrijkste
instrumenten van de politieke partijen geweest om stemmen te controleren.
Vooral in het zuiden was het verlenen van een gunst, een baan of een vergunning
gekoppeld aan een stem. Het systeem van de meervoudige voorkeurstem heeft politici
in staat gesteld om te controleren of de persoon in kwestie inderdaad had gestemd
zoals hem was opgedragen. Vanzelfsprekend kon maar op één partij worden gestemd, maar binnen de lijst konden verschillende voorkeurstemmen
worden uitgebracht, soms tot vier toe. De kiezer die iets moest `betalen' met zijn
stem, kreeg de opdracht mee om een bepaalde combinatie te stemmen, zeg
nummer 3 , nummer 17 , nummer 26 en nummer 33 . Andere kiezers
kregen weer andere combinaties mee. Om het niet te moeilijk te maken
hoefde de kiezer geen naam in te vullen, maar een cijfer - vandaar dat op
de verkiezingsposters veel kandidaten hun nummer in een groter korps
lieten zetten dan hun naam. Omdat de kieskringen niet
zo groot waren, meestal niet veel meer dan drieduizend stemgerechtigden, was
het vrij eenvoudig om te kijken of de afgesproken combinatie inderdaad was
uitgebracht. Dit systeem bood ook veel ruimte voor
stemfraude. De stembiljetten met maar één voorkeurstem konden worden gecorrigeerd
door er andere cijfers bij te schrijven of door cijfers te veranderen. Van een 4
is vaak snel 14 gemaakt. Soms kan een 4 een 9
worden. In stembureaus in Napels zijn mensen
betrapt die daarvoor een potloodpunt hadden verborgen onder hun nagel. Het referendum vormde een bedreiging
voor de partijen die het meest aan cliëntelisme deden, de
christen-democraten en de socialisten, maar zij hadden een list bedacht. De uitslag van een
referendum is alleen geldig als de helft van de stemgerechtigden opkomt. In een poging
het referendum ongeldig te verklaren en in de wetenschap dat sommige kiezers het
probleem te abstract vonden, riep de socialistische leider Craxi dat iedereen
die dag naar zee moest gaan - begin juni is dat al een aantrekkelijke
besteding van de zondag. De christen-democraten hielden zich officieel op de vlakte,
maar een meerderheid liet weten te verlangen naar een dagje strand. En
ook de protestpartij Lega Nord riep haar aanhangers op weg te blijven. Ik ben
bang dat de partijen het referendum gebruikten als een schaamdoek, dat de
verandering hierbij blijft, verklaarde Lega-leider Umberto Bossi. Het is een van de weinige keren dat
Umberto Bossi de humeuren van de kiezers fout heeft ingeschat. Ruim 62 procent kwam
stemmen, en bijna 96 procent van die kiezers stemde
voor de verandering. Het was een bijna Oosteuropees percentage, en een
eerste signaal hoe groot de weerzin was tegen het oude regime. Opvallend was dat
de percentages in het noorden vrijwel hetzelfde waren als in het zuiden. Als
de kiezers in het zuiden het stemhokje in gaan zonder zich zorgen te hoeven maken
over een baan of een gunst, geeft de politieke barometer daar hetzelfde weer
aan als in het noorden. De uitslag was duidelijk, maar de stilte
na het referendum was oorverdovend. De regeringspartijen hebben deze oorvijg
van de kiezers genegeerd. Het jarenlange comfort van gegarandeerde regeringsmacht
had hen verblind: ze konden en wilden de onvrede in de samenleving niet zien.
Voor de vorm zaten ze een debat over politieke hervormingen uit, maar verder
gebeurde er helemaal niets. De roep om verandering werd weggewuifd, en het
kabinet maakte zich onder leiding van premier Andreotti op voor verkiezingen.
President Cossiga bleef fel uithalen, de werkgevers begonnen zich te roeren,
internationale instellingen waarschuwden dat het begrotingstekort Italië dreigde te
verstikken. Maar onder regie van Andreotti werden nog snel wat uitgaven
doorgedrukt, zonder te zorgen voor dekking daarvan op de begroting. Toen Cossiga het parlement ontbond, zei
hij dat het land behoefte had aan `een regering die regeert, een parlement dat
wetgeeft, een administratief apparaat dat werkt en rechters die rechtspreken'. De
regeringspartijen hadden een andere prioriteitenlijst. Hoewel
christen-democraten en socialisten de verkiezingen ingingen met de wetenschap dat hun
aanhang dalende was, maakten zij zich vooral druk over de vraag of Andreotti
president moest worden, of Craxi premier kon worden. `Ik zie maar één
kandidaat voor het premierschap, en dat ben ik,' zei Craxi vol vertrouwen. Hij beloofde Italië
verandering en vernieuwing zonder rare experimenten. Het smeergeldschandaal in
Milaan leek nog een kleine, plaatselijke affaire. De parlementsverkiezingen op 5 en 6
april 1992 maakten opnieuw duidelijk dat de kiezers snellere,
ingrijpendere veranderingen willen. De christen-democraten zakten voor het
eerst in de geschiedenis onder de dertig
procent. Voor wie horen wilde, was de revolutie onder de kiezers begonnen.
Maar de christen-democraten en de socialisten hadden nog niet in de gaten
dat hun uur geslagen had. Zij likten hun wonden, riepen wat over de noodzaak van
verandering, maar deden verder geen enkele inspanning om gehoor te geven aan
de roep om ¬vernieuwing. President Cossiga legde een nieuwe bom neer, zijn
laatste, door vervroegd af te treden, drie maanden voordat zijn termijn
afliep. `Ik vrees dat de politiek van knipoogjes, uitnodigingen voor het
diner, halve beloftes en halve verantwoordelijkheden, vage akkoorden,
nog steeds prevaleert boven de duidelijke politieke keuzes op basis van concrete
programma's,' zei hij in een emotionele afscheidsrede. De partijen begonnen dan ook op de oude
vertrouwde manier aan de verkiezing van een nieuwe president: vele rondes van
zinloze stemmingen, byzantijns gekonkel achter de schermen, de voordracht van
kandidaten die niet serieus waren bedoeld maar alleen het water moesten testen. De
aanslag op mafiabestrijder Giovanni Falcone bracht de partijen bij
hun positieven en twee dagen later had Italië een nieuwe president, Oscar
Luigi Scalfaro. Mani Pulite begon pas een rol te spelen
in de kabinetsformatie die volgde op de verkiezingen van Scalfaro. De
socialistische leider Bettino Craxi manoeuvreerde zich in een goede
startpositie, maar moest afhaken toen zijn naam viel in de smeergeldaffaire. Er kwam een
kabinet onder leiding van de socialist Giuliano Amato, een halve
breuk met de `oude' politiek. Maar intussen was het onderzoek in Milaan op
stoom gekomen. Andere steden volgden, en steeds duidelijker werd dat Italië was
begonnen aan een onomkeerbaar proces van politieke verandering. Vier maanden na
de parlementsverkiezingen was het politieke panorama radicaal veranderd. In een aantal tussentijdse lokale
verkiezingen grepen de kiezers hun kans om dat te laten zien. Omdat lang niet overal
werd gestemd, waren dat lokale speldeprikken tegen de oude
machthebbers. Het eerste vonnis op nationaal niveau kwam bij de referenda op 15 april 1993 .
De kiezers kregen daarbij acht verschillende vragen voorgelegd, maar één
vraag domineerde alle andere: moet er een andere kieswet komen voor
de Senaat? Net als het referendum van twee jaar daarvoor was de algemene
vraag hierachter: moeten er politieke veranderingen komen? Die nieuwe kieswet moest het breekijzer
vormen op het oude politieke bestel. Italië heeft na de Tweede Wereldoorlog
bewust gekozen voor een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, zoals in
Nederland. De opstellers van de grondwet wilden voorkomen dat één
partij kon overheersen, zoals onder het fascisme. Paradoxaal genoeg is dat precies wat na
de oorlog is gebeurd, met de dominerende rol van de christen-democraten, maar dat
heeft meer met de toenmalige angst voor het communisme te maken dan met de
kieswet. Door de evenredige vertegenwoordiging is de macht van de christen-democraten
nog enigszins getemperd. Het voorstel in het referendum was het
stelsel van evenredige vertegenwoordiging te vervangen door een
meerderheidsstelsel. Het land wordt opgedeeld in districten, en per district gaat de
zetel naar de kandidaat met de meeste stemmen - Groot-Brittannië heeft hetzelfde
systeem. Driekwart van de zetels wordt volgens dit systeem verdeeld. Om kleine
partijen niet helemaal weg te drukken wordt een kwart van de zetels verdeeld
volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. In de intense campagne rondom het
referendum was er nauwelijks ruimte voor een inhoudelijke discussie over de voors en
tegens van de verschillende stelsels. De nieuwe kieswet werd zo sterk
vereenzelvigd met politieke vernieuwing dat niemand daar meer tegen kon zijn. De
voorstanders beloofden vergroting van de bestuurbaarheid en een directer contact
tussen kiezer en gekozene, waardoor deze zich onafhankelijker van zijn partij kon
opstellen. Door het oude lijstensysteem in het systeem van evenredige
vertegenwoordiging konden kandidaten die minder geliefd waren bij de kiezer, toch nog
het parlement worden binnengeloodst. In het meerderheidsstelsel moet de kandidaat
direct naar de gunst van de kiezer dingen. Corrupte politici zullen dan worden
weggestemd, zo wil de theorie. Maar het belangrijkste effect van het
meerderheidsstelsel is volgens de voormalige christen-democraat Mario
Segni, de motor achter de campagne voor het referendum, dat het een systeem van
elkaar afwisselende allianties in de hand werkt, waardoor eindelijk een einde komt
aan de oude machtsmonopolies. Bijna geen van de partijen durfde tegen
te zijn en zijn aanhangers naar het strand te sturen. In een plebisciet zei
82 procent van de kiezers ja tegen een nieuwe kieswet voor de
Senaat, een uitslag die ook werd vertaald naar de wet voor de Kamer van
Afgevaardigden. Op 4 augustus 1993, een paar dagen voor het
zomerreces, keurde het parlement de nieuwe kieswetten voor de Senaat en voor
de Kamer goed. Hiermee was de weg vrij voor vervroegde verkiezingen en voor de
grote schoonmaak door de kiezers zelf. De woede onder de kiezers was zo groot,
dat zelfs het traditionele Italiaanse mededogen erdoor werd verdrongen. `Het
zal wel erg zijn, die zelfmoorden,' zei een Romeinse vrouw na de zelfmoorden van
de ondernemers Raul Gardini en Gabriele Cagliari, `maar die mensen hebben ook
vreselijke dingen gedaan.' Toen het artiestenechtpaar Dario Fo en Franca
Rama een paar weken daarna een handtekeningencampagne begon voor
maatregelen tegen verdachte politici (intrekking van hun paspoort,
opschorting van hun salaris en onmiddellijke schorsing als parlementariër, uit
frustratie over het feit dat de meeste politici anderhalf jaar na het begin van Mani
Pulite nog vrij rondliepen), regende het adhesiebetuigingen. Op zijn bankje in het park van Verona,
terwijl de fonteinen ruisen op de achtergrond, zegt Welponer dat er wat
hem betreft geen enkele vorm van pardon kan zijn, geen enkele vorm van gratie.
Jarenlang is er gestolen, en daar komt nu de rekening voor. Maar waarom nu pas? `Het heeft zo lang geduurd omdat de
groep politici en ondernemers die onze stad heeft gedomineerd, de consensus heeft
gekocht van de mensen,' zegt hij. `Dat deden ze met overheidsgeld, bijvoorbeeld
door mensen aan te nemen in de openbare bedrijven. De politieke personages, de
bestuurders van deze stad, schreven daar de aanbevelingen voor, en zo kregen ze
het vertrouwen van de mensen. Mede geholpen door een publiciteitscampagne,
want ook de pers was op hun hand, hebben deze personages zich gepresenteerd als
de redders van het vaderland. Er is een werkelijke consensus geweest, en die is
nu doorbroken.'
|
||
|
Ga terug naar startpagina van De Italiaanse revolutie of lees het volgende hoofdstuk
|
||
|
Deze
website is gemaakt door Marc Leijendekker |