|
5 Di Pietro, laat ons dromen |
||
|
De onbetwiste held van het nieuwe Italië
is Antonio Di Pietro, de man die als plaatsvervangend procureur in Milaan,
een soort officier van justitie, de corruptie heeft blootgelegd. Als
iemand de Italiaanse revolutie symboliseert, is hij het: een self-made man
van boerenafkomst, behoedzaam en vasthoudend, ongevoelig voor reputaties
en grote namen. Een vol gezicht, kalend hoofd, een ontspannen, open lach -
áls hij lacht, want vaak staat zijn gezicht op ernst. Di Pietro kan
wasmachines repareren, een muur metselen, oude auto's restaureren en een
zool onder een schoen zetten. Hij kan ook, met een mengeling van bluf,
pressie en vertrouwelijkheid, mensen aan het praten krijgen over zaken die
ze jarenlang hebben verzwegen. Als ondervrager heeft hij verdachten op hun
gemak gesteld, maar hun tegelijkertijd laten zien dat er geen uitweg is.
Zo heeft hij als eerste het masker van het regime weggetrokken. Di Pietro heeft het eerste schot gelost
in de revolutie en is de hoofdverantwoordelijke voor het justitiële
spervuur daarna. Hij is begonnen met een kleine zaak, hield vol, en toen
het onderzoek zich uitbreidde groeide het leger van rechters dat met hem
mee optrok. Di Pietro bleef vooroplopen, om als een tweede Garibaldi de
aanzet te geven tot de bevrijding van Italië van een corrupt en met de
mafia heulend regime. In de Italiaanse revolutie vormde de onvrede onder
de bevolking het kruitvat dat door Di Pietro is aangestoken met de lont
van zijn corruptie-onderzoek. De revolutie is door de magistratuur in gang
gezet, niet door het volk - al volgde dat snel, gelukkig met zijn nieuwe
aanvoerders, gelukkig met mensen die lieten zien dat niet heel het land
verrot was. Alles is begonnen in Milaan, ook het nieuwe en succesvolle
offensief tegen de mafia op Sicilië. Alles is begonnen met Di Pietro. `Di Pietro laat ons dromen' wordt in
Milaan op de muren gekalkt als het onderzoek Mani Pulite
op gang begint te komen. En als de Milanese justitie voorzichtig, met
engelengeduld en taaie vasthoudendheid, steeds verder het netwerk van
corruptie ontrafelt, als de justitie elders in Italië het voorbeeld van
Milaan gaat volgen, verschijnt overal in het land Grazie Di
Pietro of `Heer, geef ons een Di Pietro' op de muren, op de
viaducten over de snelweg, op de golfplaten schuttingen. Een krant wijdt
zijn bijlage aan `De heilige Antonio, de rechter van het fameuze wonder
van Milaan'. Di Pietro is onbetwist de populairste en
meest bewonderde man van Italië. In een land dat de ontmaskering meemaakt
van de helden van de jaren tachtig, wordt zijn populariteit nog vergroot
doordat hij in veel opzichten een antiheld is. Di Pietro schuwt de
tv-camera's. Schudt nee als hem toch een microfoon onder de neus wordt
gestoken. Gaat op vakantie in zijn geboorteplaats Montenero di Bisaccia,
een dorpje in de zuidelijke regio Molise waar hij voor iedereen Tonino is.
Belt iedere dag zijn moeder, 's ochtends zodra hij op het werk is, 's
avonds in de auto terug naar huis. Di Pietro is een discrete man zonder
grote woorden, een verademing in een land waar de meeste grootsprekers
zijn ontmaskerd als bedriegers. Ik ben geen held, zegt hij, maar iemand
die probeert op een eerlijke manier zijn plicht te doen. `Ik ben een
kleine dagloner van de justitie die onverwachts en ten onrechte in de
krant is gekomen, niet wegens mijn verdiensten, maar alleen omdat het
lijkt alsof ik door mijn plicht te doen iets meer heb gedaan.' In een land
van furbi, een woord dat slimmerik betekent met een
ondertoon dat dat ten koste gaat van anderen, blijft Di Pietro zich door
en door correct gedragen, ook als zijn macht en aanzien stijgen. Zijn foto op de voorpagina van een
tijdschrift stimuleert de verkoop. Een boek over hem, compleet met foto's
van zijn grootvader, wordt gepubliceerd in een serie biografieën van hele
en halve heiligen, zoals Titus Brandsma en moeder Teresa. W Di
Pietro kalken Italianen op de muren, viva Di Pietro
roepen ze op de schaarse momenten dat hij in het publiek verschijnt. T-shirts met zijn naam of zijn portret erop
vliegen weg. Discotheken wijden thema-avonden aan hem. In Milaan heeft een
groepje basketbalspelers dat met een zomerteam het land doorreist,
zichzelf de Di Pietro Fans-club genoemd. De aanvoerder van het team woont
dicht bij de San Vittore-gevangenis en heeft diepe bewondering opgevat
voor de procureur die hij op de meest onmogelijke uren de gevangenis in
ziet gaan om een verdachte te ondervragen. Di
Pietro heeft niets cadeau gekregen. Zijn levensverhaal laat zien hoe snel
Italië is veranderd, en ook hoe sterk veel Italianen nog wortelen in
la campagna, het platteland. Op de boerderij thuis in
de Molise, een regio die wel de armoede maar niet de mafia van het zuiden
kent, moest hij al snel meehelpen: eerst kreeg hij de zorg voor de kippen,
daarna voor de schapen, weer later voor de koeien en varkens. Toch werd
zijn familie tot de betere kringen gerekend, omdat de Di Pietro's iedere
dag schoenen aan hadden en niet alleen als ze 's zondags naar de kerk
gingen, en omdat de beesten niet in dezelfde ruimte sliepen als de mensen.
Toen heb ik hard leren werken, heeft Di Pietro verteld. Je sliep als het
werk daar tijd voor liet, en anders maar wat minder. Bemiddeling van de plaatselijke priester
bracht hem, elf jaar oud, op het seminarie in Termoli, een kustplaats
dertig kilometer van huis. De zee zagen ze niet vaak, de seminaristen,
want het strand was volgens de paters een broeinest van zonde. Op de
wandeling door de stad, onder geleide, werd de straat met de bioscoop
vermeden, en om even alleen naar buiten te kunnen moest je het
pingpongballetje hard uit het raam slaan, over de muur heen, en dan vragen
of je het mocht gaan zoeken. Di Pietro wilde er niet blijven, en hoewel
hij naar het lyceum kon koos hij voor de middelbare technische school, om
zijn ouders zo kort mogelijk tot last te zijn. Hij haalde zijn diploma elektrotechniek
en kon alsnog naar de universiteit. Maar Di Pietro koos, weer wegens het
geld, voor `de universiteit van het leven en van de straat'. Na veertien
maanden militaire dienst, waarin hij zijn grote jeugdliefde verloor omdat
die koos voor iemand met betere toekomstperspectieven, vertrok hij als
gastarbeider naar Duitsland. Hij kreeg ruzie met zijn collega's omdat hij
te hard werkte (het was stukloon), en nam er toen maar een tweede baan
bij, acht uur per dag op een houtzagerij. Na zeven maanden was hij terug in Italië,
met een kapotte rug en zijn handen vol blaren, maar met genoeg geld om aan
zijn toekomst te gaan werken. Zijn werklust kende geen grenzen. Hij kreeg
een technische baan bij de luchtmacht, trouwde een meisje uit zijn dorp,
nam een halve baan erbij toen zijn zoon werd geboren, en begon ook nog
eens aan een studie rechten. Ondanks die anderhalve baan erbij studeerde
hij precies volgens schema af, in 1979 - maar zijn huwelijk heeft het
harde werken niet overleefd. Met zijn bul wedde Di Pietro op twee
paarden tegelijk: de politie en de justitie. De politie zei het eerst ja,
en Di Pietro kwam terecht op een bureau in een Milanese wijk die zwaar te
lijden had onder de drugshandel. Deze ervaring heeft hem getekend en later
als procureur snelheid en daadkracht gegeven. Sommige verdachten in de
Schone handen-affaire hebben gezegd dat Di Pietro steeds een beetje
politieagent is gebleven en duidelijk actief wilde meedoen met het
opsporen van misdrijven. In 1981 kon Di Pietro zijn jeugddroom
verwezenlijken: hij werd rechter in Bergamo. Als klein kind had hij al
tegen zijn moeder gezegd dat zijn missie bij de wet lag. Het was een
ongebruikelijke droom voor een boerenzoon. Volgens Di Pietro zelf is het
allemaal begonnen met het verhaal van Regina (koningin), een
glanzend-zwarte merrie die de trots was van zijn grootvader Giovannino.
Begin jaren twintig werd het paard, toen drachtig, gestolen. Dat was het
begin van een zeven jaar durende poging van Giovannino om zijn recht te
halen. Na een lange speurtocht ontdekte hij Regina en het inmiddels
geboren veulen bij een groep zigeuners, maar de dieren bleven in handen
van de politie. Na een proces waarin Giovannino er, omdat hij de enige was
die in het zadel kon blijven, in slaagde te bewijzen dat Regina van hem
was, stelde de rechter hem in het gelijk, maar hij had zijn dieren nog
niet terug. Pas na jaren van onderzoek, petities en gevechten met de
zigeuners die zijn paard hadden gestolen (er zijn dan inmiddels vijf
veulens bij gekomen) kreeg Giovannino vijf paarden terug en een
schadeloosstelling voor twee veulens. Het verhaal is een familielegende
geworden, een parabel over een schijnbaar zinloze strijd voor recht. De
kleine Di Pietro kon er geen genoeg van krijgen. In het door en door katholieke Bergamo,
waar de zonden verborgen blijven in het biechthokje en de krant alleen
positief nieuws brengt, was de 31 -jarige Di Pietro een vreemde eend in de
bijt. Zijn collega's fronsten hun wenkbrauwen over de gedrevenheid van
deze voormalige gastarbeider. De notabelen van de stad hadden weinig op
met deze nieuwe rechter, die liever 's avonds nog een dossier ging
doornemen dan zich te laten onthalen op een sjiek diner waarop meteen wat
zaken werden gladgestreken. Di Pietro irriteerde en er begon een campagne
tegen hem. In 1987 werd hij op eigen verzoek overgeplaatst naar Milaan.
Zijn laatste daad in Bergamo was de arrestatie van zijn secretaris, lid
van de financiële recherche, die werd betrapt bij het aannemen van een
kleine som smeergeld. Als procureur in Milaan heeft hij snel
naam gemaakt. De nieuwkomer kreeg een schijnbaar hopeloze zaak
toegespeeld: een carabiniere had ontdekt dat bij een aantal ernstige
auto-ongelukken mensen waren betrokken die hun rijbewijs in Milaan hadden
gehaald hoewel ze ergens anders woonden. Di Pietro's collega's beschouwden
het als een zaak zonder kop of staart. Maar Di Pietro ging systematisch op
zoek, en ontdekte dat in zes jaar tijd meer dan zeventigduizend
rijbewijzen waren gekocht, tegen een vergoeding voor de rijscholen en voor
de examinatoren. Hierdoor zaten er tienduizenden mensen op de weg, ook
chauffeurs van bussen en vrachtwagens, die eigenlijk niet goed konden
rijden. Dit onderzoek is een generale repetitie
geweest voor Mani Pulite. Di Pietro gebruikte de
computer om de enorme hoeveelheid informatie te ordenen, om uit te zoeken
wie van buiten Milaan in Milaan zijn rijbewijs had gehaald, bij welke
rijscholen, met welke examinatoren. Nu lijkt het vanzelfsprekend, maar Di
Pietro was een van de eersten binnen de Italiaanse justitie die
systematisch de mogelijkheden van de computer benutten. Bovendien zorgde
hij ervoor steeds beslagen ten ijs te komen. Eerst ondervroeg hij mensen
die hun rijbewijs hadden gekocht. Wie niet wilde praten, kreeg een foto
van een bloedig verkeersongeluk onder zijn neus. Pas daarna riep hij de
rijschoolhouders bij zich, met zoveel belastend materiaal dat ontkennen
geen zin meer had. Ook verdachten in de smeergeldzaken hebben gezegd dat
de rechters precies wisten waarnaar ze moesten vragen. Als procureur in het Mani
Pulite-onderzoek is Di Pietro een levende legende geworden,
wegens zijn gebruik van computers, wegens de precisie waarmee hij zijn
plan trok, wegens de mengeling van menselijkheid en vasthoudendheid
waarmee hij verdachten benaderde. Als een verdachte bij hem werd gebracht
voor ondervraging en Di Pietro merkte dat die nog niet had gegeten, liet
hij eerst wat te eten komen. Toen Enzo Papi, topmanager van Fiats
bouwbedrijf Cogefar, na een paar maanden cel liet weten dat hij wilde
praten, had Di Pietro geen tijd, maar hij ontsloeg Papi meteen uit de
gevangenis. `Uw woord is mij genoeg. Komt u over een week maar terug.' Di Pietro probeerde ook te voorkomen dat
verdachten werden gefotografeerd met handboeien om - één keer ging dat
mis, bij een naaste medewerker van Arnaldo Forlani, de voormalige leider
van de christen-democratische partij, en meteen viel heel de politiek over
hem heen. Een groep gevangenen uit Turijn, boos over deze ophef, schreef
dat hun zoiets iedere dag overkomt. Maar Di Pietro was geen makkelijke
ondervrager. `Uit iedere ondervraging moet hij een bekentenis halen. Dat
noemt hij een akte van overgave,' vertelde de advocaat Luca Mucci,
verdediger van een aantal verdachten in de smeergeldzaak en een voormalig
collega van Di Pietro toen hij nog bij de magistratuur werkte. Veel
verdachten hield Di Pietro een papier voor waarop hij drie vakjes had
getekend. `Het eerste is voor degene die niets weet, die niets heeft
gezien, die niets te onthullen heeft. Het tweede is voor degene die zich
als de grootste corrumpeerder ter wereld beschouwt. Het derde is voor
degene die de druk op zijn geweten wil verlichten en wil meewerken. In
welk vakje plaatst u zich?' Het was een appel aan het morele besef van
verdachten, een belangrijk element in de ondervragingstactiek van Di
Pietro. Hij probeerde de verdachten te laten inzien dat ze fout waren
geweest. Legendarisch is de eerste ondervraging
van de projectontwikkelaar Salvatore Ligresti, een van de rijkste mannen
van Italië. Ligresti weigerde antwoord te geven en zei, met de arrogantie
die met zijn rijkdom is gekomen: `U laat me vijftig miljard lire (toen
ongeveer 75 miljoen gulden) per dag verliezen, dat is twee miljard per
uur.' Waarop Di Pietro hem zijn horloge gaf met de woorden: `Hier, dan
kunt u de verliezen in de gaten houden.' Ook advocaten van verdachten beschreven
hun tegenspeler als iemand die eerlijk is en volslagen onafhankelijk. Di
Pietro was slim en vasthoudend, maar hij volgde rechte lijnen. Net als
Giovanni Falcone, de man die de mafiapeetvaders aan het praten kreeg en
daarom werd vermoord, liet hij verdachten in hun waarde, maar hij maakte
tegelijkertijd duidelijk wie de baas was. Daarmee heeft hij van tientallen
verdachten het vertrouwen weten te winnen, als een tegenstander die met
open vizier strijdt. Toen Giuseppe Garofano, de kroongetuige in de
Enimont-affaire, werd gearresteerd in Zwitserland en onderhandelde over
zijn uitlevering naar Italië, wilde hij alleen worden ondervraagd door Di
Pietro. Andere verdachten stelden dezelfde voorwaarde. Tekenend voor de
zorgvuldigheid van Di Pietro is dat hij in het beroep dat tegen zijn
beslissingen is aangetekend, vrijwel nooit in het ongelijk is
gesteld.
Dat wil niet zeggen dat Di Pietro nooit
heeft gebluft. Toen een ondernemer zei dat de beschuldigingen niet juist
waren, liet hij een enorme stapel dossiers komen. Op één na gingen ze
allemaal ergens anders over, maar de ondernemer begon te praten. Toen Di
Pietro Roberto Mongini ondervroeg, de vice-president van de Milanese
vliegvelden, nam hij een stapel dossiers mee die het bewijs moesten vormen
van zijn uitspraak dat hij Mongini al drie jaar in de gaten hield. Het was
niet waar, maar werkte wel. Ondanks
zijn enorme werklust merkte Di Pietro al snel dat het onderzoek Schone
handen te groot en te belangrijk werd om er alleen verder aan te werken.
Op zijn verzoek werd een pool van rechters geschapen,
net als de befaamde anti-mafiapool met Giovanni Falcone in de jaren
tachtig in Palermo. Zo kon het werk beter worden verdeeld en gecoördineerd.
Bovendien was voor iedereen duidelijk dat het onderzoek niet te stoppen
zou zijn door een rechter onschadelijk te maken. Het bleek een uitstekend team. De harde
kern bestond, buiten Di Pietro, uit vier man. Gherardo Colombo is de
magistraat die ook onderzoek heeft gedaan naar de zwarte fondsen bij de
staatsholding IRI en naar Licio Gelli, de
leider van de verboden vrijmetselaarsloge Propaganda Due - beide zaken
zijn overigens in de doofpot terechtgekomen. Piercamillo Davigo is de man
met de beste juridische pen van de groep en daarom degene die de
aanklachten tegen Bettino Craxi heeft geschreven. Met Di Pietro werkten
zij onder verantwoordelijkheid van Gerardo d'Ambrosio, die al een paar
jaar rondloopt met een nieuw hart, en Francesco Saverio Borrelli, als
hoofdprocureur de leider van de groep en de man die als schild fungeerde
bij iedere aanval op de rechters. De Italianen hebben deze rechters in hun
hart gesloten. Tot in de kleinste details wordt hun doen en laten
besproken: waar ze wonen, waar ze lunchen, wat ze doen op zondagmiddag, en
ook - in een modebewust land als Italië onvermijdelijk - hoe ze zich
kleden. Dat laatste is een groot probleem. De redders van het vaderland,
de rechters die met hun onderzoek in de corruptie-affaires een massale
grote schoonmaak in gang hebben gezet, zien er volgens velen niet uit. Het
dagblad l'Unità beklaagde zich er op de voorpagina
over dat de krullebol Colombo, de intellectueel van de groep, er met zijn
tot op de draad versleten spijkerbroeken, zijn poloshirts en zijn
gekreukelde blazers uitziet `als een terrorist'. Ook Di Pietro kwam er
niet best af. `De klerenkast van Di Pietro is één grote verschrikking,'
schreef La Stampa. Heel fout zijn de korte sokken die
hij draagt en die een stuk been bloot laten - waarschijnlijk vermijdt hij
de in Italië vereiste kniekousen omdat hij tijdens verhoren graag wat aan
zijn kuit mag krabben. De knoop in zijn das is veel te groot. Zijn
regenjas sleept hij overal mee naar toe, terwijl die in de vuilnisbak zou
moeten. En zijn jasjes zijn confectie uit het rek, met - toppunt van
platheid - drie knopen. De kleren van Davigo en D'Ambrosio werden
aangemerkt als karakterloos. De enige die door de beugel kon, was Borrelli,
een gentleman-aristocraat van de oude stempel die iedereen charmeert met
zijn hoffelijkheid. Hij kleedt zich klassiek en betrekt zijn maatpakken
zichtbaar van een goede kleermaker. Binnen deze veelbesproken groep bleef Di
Pietro het belangrijkste doelwit. Colombo kon rustig buiten gaan lunchen
met zijn nieuwe vriendin en in het weekend naar het familiehuis in Brianza
gaan, maar Di Pietro heeft zijn vrijheid moeten opgeven voor het
onderzoek. Zelfs eten in de simpele mensa van de carabinieri, zoals hij
vroeger deed, was te gevaarlijk geworden. Dag en nacht waren er vier
mensen in zijn buurt om over zijn veiligheid te wa- ken. Ook zijn vrouw en
twee kinderen werden voortdurend beschermd - zijn zoon uit zijn eerste
huwelijk is ook bij de politie gegaan en draaide af en toe mee in de
escortes van zijn vader. Toen in de zomer van 1993 bommen ontploften in
Milaan, Rome en Florence, werd ook de bewaking rondom de andere rechters
verscherpt. De spanning steeg; het risico van een aanslag werd groter. Verbaal is de groep rechters rondom Di
Pietro zwaar onder vuur genomen. Zij kregen van alles naar hun hoofd. Het
waren samenzweerders. Kannibalen. Jakhalzen. Chanteurs. Moralisten. Ze
zouden hun boekje te buiten zijn gegaan en hebben geprobeerd een politieke
rol te krijgen, in een poging zichzelf en hun collega's boven de politiek
te stellen. Hun tegenstanders vonden dat rechters ondergeschikt moeten
zijn aan de politiek; het principe van een scheiding van machten is niet
sterk geworteld bij Italiaanse politici. In het Milanese Paleis van
Justitie zouden de eerste stappen naar een nieuw totalitair systeem zijn
gezet. Met name de socialisten, die als eersten
betrokken raakten in de smeergeldzaak, hebben het Milanese parket op alle
mogelijke manieren dwarsgezeten. In augustus 1992 probeerde Bettino Craxi,
toen nog partijleider, Di Pietro te intimideren met een langzaam
aanzwellende reeks insinuaties, verdachtmakingen en schijnonthullingen in
het partijblad Avanti! Tegenstanders van Craxi zeiden
dat de mafia op precies dezelfde manier probeert tegenstanders zwart te
maken. Partijgenoot Rino Formica antwoordde dat Craxi poker in handen
heeft. De spanning liep even hoog op, maar Craxi moest zijn hand laten
zien en toen spatte de zaak als een zeepbel uit elkaar. Vaak is geprobeerd Di Pietro onderuit te
halen. Hij ontving eens een brief waarin hij in de raad van bestuur van
een verdachte kliniek werd benoemd, kennelijk in de hoop dat hij geen tijd
had om meteen te reageren, zodat hij vervolgens verdacht had kunnen worden
gemaakt. Italiaanse journalisten kregen valse verhalen aangeboden over
akkoordjes die Di Pietro zou hebben gesloten met verdachten. Onderdelen
van zijn geheime dossier bij de justitie deden de ronde. Oude kennissen
werd geld aangeboden om iets slechts over hem te zeggen. Een Milanees
gemeenteraadslid vertelde dat een niet nader genoemde onderneming in
Milaan privé-detectives in dienst had genomen om te proberen vuile
plekken te vinden in het verleden van Di Pietro. Diens reactie was
laconiek. `Wat wilt u dat ze over mij ontdekken? Dat ik vrouwen heb gehad?
Akkoord, ik geef het toe, ik beken.' Een
van de felste aanvallen op de rechters kwam na de zelfmoord van Gabriele
Cagliari, ex-president van de staatsholding ENI,
in juli 1993 . In zijn cel in de Milanese San Vittore-gevangenis stak
Cagliari zijn hoofd in een plastic zak en bond deze met een schoenveter
dicht. In zijn nagelaten brieven deed hij een felle aanval op de Milanese
rechters. `De magistraten beschouwen de gevangenis als niet meer dan een
stuk gereedschap, een instrument voor psychologische marteling,' schreef
Cagliari aan zijn vrouw Bruna. `Ze behandelen ons als non-personen, als
honden die terug de kennel in worden gejaagd. Ze slaan de weg in die
onherroepelijk leidt naar een autoritaire staat.' De Milanese justitie is vaker verweten
verdachten onnodig lang in voorarrest te hebben gehouden om hen aan het
praten te krijgen. Twee weken voor de dood van Cagliari zei president
Scalfaro dat preventieve hechtenis de uitzondering zou moeten zijn, en
niet de regel. `Ik heb maanden over deze woorden
nagedacht,' zo begon Scalfaro zijn toespraak, die daardoor nog meer
gewicht kreeg. De justitie was volgens hem soms lichtvaardig snel met haar
avviso di garanzia, de formele kennisgeving dat iemand
wordt verdacht. `Soms kan een avviso di garanzia mensen
doden,' zei Scalfaro, in een verwijzing naar eerdere zelfmoorden.
Overigens verplicht de wet de justitie zo'n avviso uit
te vaardigen. Dat is bedoeld om verdachten te beschermen tegen heimelijke
onderzoeken door de justitie. In de praktijk van het smeergeldonderzoek
heeft dit voorschrift er vaak toe geleid dat mensen in de publieke opinie
schuldig werden bevonden zodra ze een avviso kregen. De rede van Scalfaro en de brief van
Cagliari werden aangegrepen voor een nieuw offensief tegen de Milanese
rechters. De Romeinse orde van advocaten sprak van een inquisitie. Craxi
noemde Cagliari `een nieuw slachtoffer van het gewelddadig gebruik van de
bevoegdheden van de justitie'. De vice-president van de liberale partij,
Raffaele Morelli, zei: `Dit is gebruik van voorarrest als een
martelinstrument.' Wat de meeste politici niet wisten was dat Cagliari is
vastgehouden omdat zijn naam is gevallen in een nieuw hoofdstuk in het
corruptie-onderzoek, de affaire Enimont, die binnen twee weken na de dood
van Cagliari het grootste schandaal binnen het schandaal werd. Maar de discussie over het voorarrest
was heropend. Tot een wetswijziging in 1995, mede wegens alle kritiek,
stond de Italiaanse wet voorarrest toe in drie gevallen: als het gevaar
van herhaling van het misdrijf dreigde, als de verdachte dreigde te
vluchten, en als de vernietiging van belangrijk bewijsmateriaal dreigde.
Volgens hoofdprocureur Borrelli heeft de Milanese justitie zich steeds aan
de wet gehouden - bij een aantal onderzoeken is aan het licht gekomen dat
op grote schaal belastende documenten zijn verbrand, en de pers meldde een
duidelijke stijging in de verkoop van papiervernietigers. Dat regelmatig voorarrest als
pressiemiddel is gebruikt, valt niet te ontkennen. Verdachten die gingen
praten, waren al na een paar dagen weer op vrije voeten, terwijl andere
maandenlang vastzaten. Het vooruitzicht dat zij nog een paar weken in de
cel moesten blijven, maakte verdachten spraakzamer. Met afschuw hebben
politici verhalen verteld over smerige cellen die ze soms moesten delen
met aids-lijders - iets wat overigens duizenden niet-politici overkomt
zonder dat daarover beroering is ontstaan. Het verweer van Di Pietro was
dat hij niet besliste waar verdachten gevangen werden gezet. Maar
duidelijk is dat lang niet alle arrestanten, van wie de meesten gewend
waren aan een auto met chauffeur en een paar aardige secretaresses, waren
opgewassen tegen de gevangenis, ook al werd in de Milanese San
Vittore-gevangenis al snel een speciale vleugel ingericht voor corrupte
gevangenen. Als zij dan bij Di Pietro werden geroepen en voor de keus
stonden, praten met als beloning huisarrest of terug naar de cel, was de
keuze snel gemaakt. Ook medestanders van de Milanese
justitie hebben erkend dat af en toe het voorarrest is gebruikt als een
pressiemiddel, om een bekentenis los te krijgen. Maar de rechters hebben
zoveel krediet opgebouwd dat het hun is vergeven dat zij de beschikbare
wettelijke mogelijkheden wat hebben opgerekt. Waarschijnlijk zou het
onderzoek nooit zover zijn gekomen als de rechters niet alle wapens die
hun ter beschikking staan, hadden gebruikt en aangescherpt. Ze moesten
door een enorme muur van onwil en arrogantie heen. Bij een opiniepeiling
van het weekblad L'Espresso in de zomer van 1993 zei 58
procent van de ondervraagden ervan overtuigd te zijn dat het voorarrest
ook is gebruikt om verdachten onder druk te zetten, maar een vrijwel even
groot aantal ondervraagden was het eens met dit gebruik van voorarrest. De dood van Cagliari heeft opnieuw de
aandacht gevestigd op het verzoek van de Milanese justitie om maatregelen
die de processen kunnen versnellen, waaronder strafvermindering voor
verdachten die een volledige bekentenis afleggen. Het is een delicaat
thema, rechters die zich actief bemoeien met wetgeving. Colombo was de
eerste, eind 1992 . Hij deed een niet helemaal uitgewerkt voorstel om een
soort amnestie te verlenen aan mensen die samenwerken met de justitie. Als
voorwaarden noemde hij terugbetaling van het smeergeld en een verbod om
gedurende een bepaalde tijd openbare functies te bekleden. Zo kon volgens
Colombo worden voorkomen dat processen wegens de smeergeldschandalen nog
jaren zouden voortgaan. Een paar weken later volgde Di Pietro,
eigenlijk per vergissing. Hij hield een toespraak tot een groep
carabinieri in Bergamo en had niet in de gaten dat er een journalist bij
zat. `Vanmorgen hebben vijftien mensen zich op mijn kantoor gemeld om te
komen bekennen,' zei Di Pietro. `Zo gaat het niet meer. We moeten een
oplossing vinden.' De rechters dreigen volgens hem om te komen in de
dossiers. `De politici moeten de oplossing vinden,' ging Di Pietro verder.
`Ik voer geen oorlog tegen het systeem, ik vervolg specifieke feiten. Er
zijn weinig oneerlijken en veel domme meelopers die ermee akkoord zijn
gegaan. Maar zoals de zaken nu liggen, móet er een oplossing komen.' Hij
verwierp Colombo's voorstel voor een amnestie en zeidat de oplossing meer
moest worden gezocht in politieke hervormingen die tot een vernieuwing van
de politieke klasse zouden leiden. De politieke vertaling van deze
noodkreten uit Milaan kwam snel, volgens de lijn van Colombo. Veel
parlementsleden van de regeringspartijen hadden immers alle belang bij een
vorm van amnestie. Na de langste kabinetsvergadering sinds mensenheugenis,
alles bij elkaar tweeëneenhalve dag, kwam premier Amato in maart 1993 met
een decreet om de verdachten van corruptie te scheiden van de mensen die
werden beschuldigd van overtreding van de wet op de financiering van
politieke partijen. De laatsten zouden geen gevangenisstraf meer krijgen,
maar een forse geldboete en een verbod om openbare functies te vervullen
(parlementsleden zouden hun zetel niet hoeven opgeven). Er barstte een orkaan van kritiek los
die ieder uur krachtiger werd. Veel mensen zagen het decreet als een
zelfabsolutie door corrupte politici. De overtreding van de wet op de
financiering van politieke partijen, die het verbiedt om in het geheim
geld aan te nemen, is het centrale misdrijf in het hele
corruptieonderzoek, het wapen waarmee de meeste verdachten zijn gepakt. De
angst bestond dat het decreet een luik zou worden waardoor alle corrupte
politici konden ontsnappen door aan te voeren dat het ontvangen smeergeld
niet naar henzelf was gegaan, maar bedoeld was voor de partij. Borrelli
verklaarde het kabinet de oorlog. Hij riep de pers bij zich om te
verklaren dat de Milanese justitie het wetsvoorstel onaanvaardbaar vonden.
Hij waarschuwde dat het smeergeldonderzoek zou worden verlamd en zei dat
het kabinet precies het tegenovergestelde voorstelde van wat de Milanese
justitie voor ogen stond. Borrelli ging zelfs zover dat hij dreigt het
decreet aan te vechten voor het Constitutionele Hof als het niet werd
ingetrokken. Binnen een paar uur gaf president Scalfaro toe aan de
volkswoede en liet hij weten dat hij het decreet niet zou ondertekenen -
het kabinet moest er maar een wetsvoorstel van maken en proberen dat
aanvaard te krijgen. Voor alle duidelijkheid kwam de Milanese
justitie met een gespecificeerd verlanglijstje: geen amnestie, wel een
premie, strafvermindering, voor wie meewerkt door te gaan praten of door
schuld te bekennen. Op deze manier zou moeten worden verhinderd dat de
justitie omkwam in de dossiers. `Met de bekentenissen van iedere arrestant
openen we tien andere onderzoeken,' heeft officier van justitie Colombo
gezegd. Bovendien is het in strijd met ieders rechtsgevoel dat verdachten
in afwachting van hun proces maandenlang op vrije voeten blijven. Door hun morele gezag zijn de
magistraten een politieke factor geworden, of ze dat willen of niet. De
oude en altijd hoffelijke gentleman Borrelli, afkomstig uit een bijna
aristocratische familie van magistraten, heeft dat keer op keer bestreden.
Hij heeft de rechters vergeleken met chirurgen. `Wij amputeren en
desinfecteren. Maar daar houdt het op, meer mogen we niet doen,' zei hij.
Iedere keer als het volk om wraak riep, en dat gebeurde vaak, gaf hij
ongeruste interviews dat de rechter er niet waren om in te gaan op die
wraakgevoelens, maar om te zorgen dat het recht zijn loop heeft. Desondanks hebben de Milanese
magistraten bij herhaling al hun gewicht in de schaal geworpen om te
verhinderen dat het onderzoek in gevaar kwam. De Milanese rechters kwamen
met een felle verklaring toen Craxi voorstelde een parlementaire
onderzoekscommissie in te stellen, waardoor het werk van de justitie zou
worden vertraagd. Toen het parlement weigerde de parlementaire
onschendbaarheid van Craxi voor de belangrijkste aanklachten tegen hem op
te heffen, dreigde Borrelli de zaak aanhangig te maken bij het
Constitutionele Hof. En in december 1992 reageerde `Milaan' even fel op
voorstellen voor politieke controle op het openbaar ministerie. De
politici zouden ons meteen intomen, was de reactie van Borrelli. In Italië
is het openbaar ministerie officieel volledig onafhankelijk en hoeven de
procureurs geen verantwoording af te leggen aan de minister van Justitie;
daarentegen hebben zij formeel geen ruimte voor een eigen
vervolgingsbeleid en zijn ze verplicht alle misdrijven te vervolgen. De opstelling van het parket in Milaan
is een hoofdrol gaan spelen in de debatten over een oplossing. Voor de
publieke opinie zijn zij bij uitstek mensen die boven de partijen staan,
zonder verborgen agenda en buiten het politieke machtsspel. Later, na de
val van het oude bestel, zijn de twijfels en bedenkingen gekomen. Maar in
de eerste twee jaren van de Italiaanse revolutie waren de magistraten de
mensen met het meeste gezag. Die
enorme populariteit van de magistratuur stond in schril contrast met de
storm van kritiek die zij nog maar een paar jaar geleden over zich heen
had gekregen. Toen was het imago van de justitie bijzonder slecht.
Rechters werden gezien als verdedigers van de gevestigde macht,
medeplichtigen in een systeem dat het vertrouwen van de bevolking had
verloren. In december 1991 zei Di Pietro nog: `De mensen zien ons als een
gek geworden kaste zonder verantwoordelijkheidsgevoel, geïdeologiseerd en
partijdig, en we kunnen maar één ding doen: werken.' Na de smeergeldzaken kon in heel het
land de justitie zich koesteren in haar nieuwe heldenrol. Vaak stonden er
mensen te applaudisseren bij de paleizen van justitie; bij de wit-marmeren
monumentale gebouwen in fascistische stijl in Palermo en Milaan, twee
paleizen van justitie die met hun strakke vierkante zuilen vrijwel een
kopie van elkaar zijn - in Palermo is alleen nog meer bewaking; en bij het
groezelige, rommelige, afbladderende voormalige paleis van Castelcapuano,
dat in Napels dienst doet als paleis van justitie. Toen het in het midden van de twaalfde
eeuw werd gebouwd, zal het een mooi paleis zijn geweest, maar nu is de
binnenplaats een spiegel van de rest van de stad: ook hier zijn lang geen
schoonmakers geweest. De rechters die de strijd hebben aangebonden met de
Napolitaanse corruptie, huizen op de derde etage. Een oude stalen lift,
met notehout aan de binnenkant, gaat krakend naar boven. Voor de liftdeur
op de derde verdieping zit een grote kogelvrije plaat van plexiglas. De
deur gaat pas open als je bent bekeken en ondervraagd door een bewaker. Op
de gang staan geblutste metalen archiefkasten waarvoor op de kamers geen
plaats meer was. Een paar kolossale houten kasten symboliseren de oude
glorie, en een openhangende stoppenkast met losse draden de problemen van
nu. Een aantrekkelijke onderofficier van justitie loopt tikkend voorbij in
een mini-mantelpak, zeulend met een enorme stapel dossiers. `Wij werken in een simpele omgeving,'
zegt Luigi Gay, een van de procureurs die het netwerk van corruptie,
camorra en politiek aan het ontrafelen zijn. `Napels is een stad vol
problemen, ook voor ons.' Overal in zijn kamer, op zijn bureau, op de
stoelen, opgestapeld in de kasten, liggen grote stapels dossiers. De
persoonlijke noot in zijn kamer, die hij deelt met een collega, bestaat
uit een badge van Scotland Yard en een ingelijste poster van de Scuola
Militare Nunziatella Napoli, waar hij school heeft gegaan. Buiten, door
het open raam, is de eeuwig wapperende was zichtbaar. Uitgebreid legt Gay uit waarom nu pas de
onderzoeken naar corruptie, naar de banden tussen politiek en
georganiseerde misdaad, op gang zijn gekomen. De corruptie is niet iets
van de laatste jaren, maar vroeger werden de rechters tegengewerkt door de
politiek, en bovendien hadden ze de publieke opinie tegen. `Vandaag worden
de rechters toegejuicht, maar nog maar twee, drie jaar geleden lagen we in
het stof, geminacht door iedereen,' zegt Gay. Jarenlang heeft er weinig vertrouwen
bestaan in het justitiële systeem en in de rechters zelf. De justitie
werd, samen met de gezondheidszorg, beschouwd als een van de terreinen
waarop de Italiaanse overheid diep heeft gefaald. Je recht halen in Italië
duurde en duurt vaak zo lang dat velen er niet aan beginnen. Een
gemiddelde zaak, met hoger beroep en appèl, duurt zeven tot tien jaar.
Een groot aantal rechters werkt niet te hard en maakt zijn 45
vakantiedagen allemaal op. Wie wel de mouwen opstroopt, moet opboksen
tegen een gebrek aan personeel, ruimte en goede databanken. Bovendien is
voor de burger het geheel van wetten, decreten en verordeningen vaak
volslagen ondoorzichtig - in 1989 doorbrak het Constitutionele Hof zelfs
het heilige principe dat iedereen geacht wordt de wet te kennen. In Italië
kan dat niet altijd. Bovendien is het land in de tweede helft
van de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig, een periode
van links en rechts terrorisme, opgeschrikt door een reeks arrestaties die
vaak een volledig willekeurig karakter hadden. Amnesty International heeft
bij herhaling geprotesteerd tegen de arrestatie van mensen zonder dat er
duidelijke verdenkingen tegen hen waren, of tegen het maandenlang
gevangenhouden van verdachten in afwachting van een proces. Symbool voor
de slachtoffers van de justitie is Enzo Tortora, een populaire
tv-presentator die in 1983 ten onrechte werd gearresteerd op verdenking
van drugshandel en banden met de camorra, de Napolitaanse versie van de
mafia. Meer dan een jaar heeft Tortora zonder proces vastgezeten, tot hij
als kandidaat van de Radicale Partij werd gekozen in het Europese
parlement en zijn parlementaire onschendbaarheid hem buiten bereik van de
justitie bracht. De arrestatie van Tortora, gebaseerd op
informatie van een Napolitaanse mafioso die is gaan samenwerken met de
politie, is nog steeds een open wond in Napels. `Ons is toen verweten dat
we kritiekloos luisterden naar de verklaringen van de pentiti
(spijtoptanten), dat we die onvoldoende controleerden,' zegt Gay.
`Misschien is dat indertijd ook wel gebeurd en zijn we het slachtoffer
geworden van een valstrik. Maar deze affaire leidde tot een radicale
aanval op de rechters, in heel Italië.' Aanvoerder van het protest was de
socialistische partij, die haar verzet tegen de justitie bij de
parlementsverkiezingen in 1987 in Sicilië beloond zag met een duidelijke
stemmenwinst. Samen met de Radicale Partij waren de socialisten de
gangmakers achter het referendum van 1987 dat het mogelijk maakte rechters
en officieren van justitie civielrechtelijk aansprakelijk te stellen voor
fouten tijdens het proces. In de praktijk is het nauwelijks tot
civielrechtelijke zaken tegen rechters gekomen, maar Gay vertelt dat het
referendum voor de magistratuur een dieptepunt was. `Dat was een vorm van
extreem wantrouwen. In geen enkel ander land bestaat zoiets, dat een
rechter civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor fouten in
zijn vonnis. Voor ons was dat een hele emotionele zaak, dat massale
wantrouwen. Als iemand nu zegt, waarom hebben jullie niet eerder wat
gedaan, dan heeft dat zeker een rol gespeeld.' Daarbij kwam de wetenschap dat bepaalde
personen vrijwel onaantastbaar waren, bepaalde onderwerpen offlimits. Dat
was al zo vóór het referendum, het werd nog meer zo daarna. `Een
belangrijke factor was ook het geringe enthousiasme dat je kon hebben, in
de wetenschap dat als je aan bepaalde kringen kwam, zeker die van de
politici, je als rechter vroeg of laat een civiele zaak tegen je zou
krijgen,' zegt Gay. Er zijn voorbeelden te over van
onderzoeken naar corruptie, naar zwarte fondsen bij staatsbedrijven, naar
de illegale financiering van politieke partijen. Al in de jaren zeventig
was een groep rechters in Genua daarmee bezig. Begin jaren tachtig volgde
een geruchtmakend proces in Turijn. Tientallen onderzoeken zijn er
begonnen naar de banden tussen politiek en mafia, tussen vrijmetselaars en
geheime diensten. Maar in de meeste gevallen is daar weinig van
terechtgekomen, omdat de verdachten machtiger waren dan de rechters. Michele Del Gaudio is een van deze
magistraten. Hij zit nu bij Gay in Napels, maar in 1983 was hij procureur
in Savona. Hij deed een onderzoek naar smeergeldschandalen in zijn
omgeving. Meteen kwamen de telefoontjes, vertelt Del Gaudio nu in
interviews. Een vriend die adviseerde niet te hard van stapel te lopen,
een collega die vond dat onderzoeken in verkiezingstijd niet horen,
superieuren die zeiden dat er nog genoeg andere zaken waren. Er kwamen
rare overlijdensberichten per post, en voor zijn huis vond Del Gaudio een
konijneoor, een niet mis te verstane waarschuwing. Zijn onderzoek is in
deze tegencampagne gesmoord. Wilde een rechter in Savona of Napels
niet opgeven, dan was er altijd nog de justitie in Rome. Deze heeft
honderden zaken naar zich toe getrokken met als argument dat het justitiële
onderzoek partijen en staatsbedrijven betrof die in Rome hun zetel hadden
en dus door de Romeinse justitie moest worden uitgevoerd. Het resultaat
was steevast dat het onderzoek verzandde, dat de dossiers bleven liggen.
Rome heeft zo de bijnaam `de haven van de mist' gekregen. Wat als een
duidelijke zaak naar Rome ging, kwam op een doodlopend spoor terecht, werd
officieel geseponeerd of gewoon diep in een la weggestopt. Toen begin
jaren negentig een nieuwe procureur aantrad in Rome, Vittorio Mele,
ontdekte hij dat er zeven verschillende onderzoeken naar corruptie bij de
Anas, een soort rijkswaterstaat, in een kast lagen te vergelen. Een van de meest prominente rechters uit
die periode is Ferdinando Imposimato, die later parlementslid is geworden
voor de ex-communistische Democratische Partij van Links. `Wanneer er in
het verleden onderzoeken werden geopend zoals nu dat naar Enimont,
bijvoorbeeld de zaken van de bankiers Roberto Calvi en Michele Sindona,
slaagden ze erin het zoeken naar de waarheid te blokkeren en het onderzoek
te laten verzanden, middels hun vertrouwensmensen op sleutelposten in het
staatsapparaat, bij de geheime diensten, bij de politie, bij de
magistratuur,' zegt Imposimato in een terugblik op de jaren tachtig. Als
hij zijn werk een decennium later was begonnen, had hij zijn broer nog
gehad. Die is in 1983 vermoord, als een waarschuwing aan de rechter om
niet al te voortvarend op te treden. Gay herinnert aan een andere
geruchtmakende zaak, die van rechter Carlo Palermo. Ook Palermo, begin
jaren tachtig rechter in Trento, was een Di Pietro avant-la-lettre, maar
zonder diens succes. Hij liet huiszoeking doen in de woning en de kantoren
van de Italiaans-Zwitserse financier Ferdinando Mach Di Palmstein,
verdacht van bemiddeling bij wapensmokkel en van corruptie met
buitenlandse hulp. Daarbij gaf hij opdracht om ook te letten op documenten
over Craxi en andere prominente socialisten. Craxi, die toen premier was,
mobiliseerde iedereen die hij kon mobiliseren, en dat was te veel voor
Palermo. Er kwam een disciplinair onderzoek tegen hem en hij liet zich
overplaatsen naar Sicilië. Maar ook daar vormde hij een gevaar voor de
gevestigde orde. In april 1985 ontsnapte hij aan de dood bij een aanslag
met een autobom, hetzelfde wapen dat ook tegen de mafiabestrijder
Borsellino is gebruikt. De bom ging op tijd af, maar een andere auto ving
de klap op. De drie inzittenden daarvan, een vrouw en twee kinderen,
werden gedood. Gedesillusioneerd heeft Palermo de rechterlijke macht
verlaten om de politiek in te gaan, voor de anti-mafiapartij La Rete. De affaire-Palermo is een van de
schrijnende voorbeelden van de manier waarop politieke partijen hun
invloed op de Opperste Raad voor de Magistratuur, de CSM,
hebben misbruikt. De dertig leden hiervan moeten officieel de
onafhankelijkheid van de rechterlijke macht ten opzichte van de politiek
belichamen, maar zijn in de praktijk vaak een speelbal geweest van de
politieke partijen. Dat geldt zeker voor de tien leden die direct door het
parlement worden benoemd, maar ook voor de twintig vertegenwoordigers die
de rechters zelf kiezen, want ook de rechterlijke macht is jarenlang zwaar
gepolitiseerd geweest. Daarom kon binnen de christen-democratische partij
ruzie worden gemaakt over de vraag wie de nieuwe procureur in Rome werd,
ook al valt de beslissing hiervoor formeel toe aan de CSM. De CSM is
het belangrijkste controlemiddel van de politiek op de rechterlijke macht
geweest. De raad is verantwoordelijk voor het benoemings- en
promotiebeleid van rechters. Met hun grote invloed op leden van de raad
hebben de regeringspartijen sleutelbenoemingen gestuurd en lastige
rechters tegengewerkt. Toen in 1989 een nieuwe chef van de pool van
anti-mafiarechters in Palermo moest worden benoemd, was Giovanni Falcone
daarvoor de meest aangewezen kandidaat. Maar de CSM ,
ingefluisterd door de politiek, gaf de voorkeur aan een rechter met iets
hogere senioriteit maar zonder noemenswaardige ervaring in de strijd tegen
de mafia. Sommige rechters zijn gekocht door de
politieke partijen, de een met het vooruitzicht op een promotie of een
aanstelling op een rustige plaats, de ander met de belofte van een
opdracht als `onpartijdig deskundige' bij de controle op de uitvoering van
openbare werken, simpel werk met een vaak zeer lucratieve honorering. De
politieke partijen zijn nooit te beroerd geweest om de rechterlijke macht
voor hun karretje te spannen. Toen de Italiaanse centrale bank in 1979 een
onderzoek instelde naar de merkwaardige transacties van de Banco
Ambrosiano van Calvi, liet de Romeinse rechter Antonio Alibrandi de
vice-directeur van de bank arresteren en trok hij het paspoort in van de
gouverneur - naar hij later moest toegeven, zonder dat daarvoor een
juridische reden was. Drie jaar later stortte de bank in, in het grootste
bankschandaal in Italië sinds de oorlog. Al worden de rechters nu gevierd als
bevrijders en voelen degenen die smeergeldschandalen willen onderzoeken
zich niet meer geïsoleerd, er zijn niet alleen maar helden binnen de
magistratuur. Een deel daarvan is op zijn minst medeplichtig geweest. Nu
de rotte plekken worden blootgelegd in de samenleving, worden de rechters
niet gespaard. In een variant op het woord Tangentopoli,
dat smeergeldstad betekent, wordt al gesproken over Magistratopoli.
De operatie Schone Handen mondt uit in de operatie Schone Toga's. Zo blijkt dat sommige rechters zich
hebben laten helpen door de georganiseerde misdaad. Een van hen is
Giuseppe Recupero, uit Messina. Deze rechter had een diepe haat ontwikkeld
tegen een hoogleraar genetica aan de plaatselijke universiteit, omdat die
het had gewaagd een van zijn familieleden te laten zakken voor zijn
examen, een paar keer nog wel. De beledigde rechter vroeg de mafia om de
man een waarschuwing te geven, wat prompt gebeurde: de hoogleraar kreeg
een paar schoten in zijn been. De rechter heeft de rekening voldaan met
een aantal clemente vonnissen. Ook in Napels en omgeving blijken rechters
op de loonlijst van de camorra te hebben gestaan. De lijst met schandalen die aan het
licht komen, groeit snel. Ontdekt wordt dat rechters in Rome discreet
hebben laten weten dat een verdachte in ruil voor een paar honderdduizend
gulden kon rekenen op een clemente behandeling. Een prominente
anti-mafiarechter, Domenico Signorino, heeft volgens mafioso Gaspare
Mutolo, die is gaan samenwerken met de justitie, contact onderhouden met
de mafia en haar een aantal gunsten bewezen - Signorino pleegt in december
1992 zelfmoord. In het hele land worden de banden onderzocht tussen
rechters en vrijmetselaarsloges. In Milaan begint de groep van Di Pietro
ook een onderzoek naar een collega die ervan wordt verdacht bewijzen te
hebben vernietigd in de omvangrijke Enimont-affaire, en omdat de
verdenkingen juist blijken te zijn moet de zaak al snel worden
overgedragen aan de justitie in Brescia - de procura van Milaan mag niet
zichzelf onderzoeken. De verdachte is Diego Curtò, vice-president van het
Tribunaal van Milaan en vooral betrokken bij civielrechtelijke zaken die
het bedrijfsleven aangaan. In 1991 had hij bijna een halve ton aangenomen
als dank voor zijn soepele opstelling in de juridische afwikkeling van de
Enimont-affaire, het grootste corruptieschandaal. Het geld was op een
rekening in Lugano gestort. Maar in de loop van het smeergeldonderzoek
wordt Curtò bang dat zijn collega's ook bij hem uitkomen en dat hij zijn
centen niet meer terugziet. Hij laat zijn vrouw het geld ophalen. Bij zijn
arrestatie beweert hij dat zijn vrouw het geld in een zak heeft gedaan en
bij het vuil heeft gegooid. Zijn ondervragers moeten even lachen: ze
hebben veel uitvluchten gehoord, maar deze is wel erg naïef. Een paar
maanden later wordt ontdekt dat het geld onder een andere naam op een
Zwitserse bankrekening staat. Na
anderhalf jaar Schone Handen concludeert Giancarlo Caselli, de procureur
van Palermo, dat het onderzoek in Milaan ook voor de magistratuur een
keerpunt is. `Er bestaat geen twijfel aan dat er in de loop der jaren bij
deze of gene magistraat beperkingen zijn geweest, gebrek aan moed,
onafhankelijkheid en professionaliteit,' zegt Caselli. `Er zijn
zevenduizend magistraten, en daartussen kan je zeker gebreken en
onvolkomenheden vinden. Heel wat. Maar er is ook een andere kant, en dat
is de geschiedenis van de magistratuur van vóór februari 1992 . Iedere
keer dat hij met zijn onderzoek daar terechtkwam waar sterke belangen zijn
geworteld (....) kreeg de magistraat vijandschap en aanvallen te
verduren.' Door de opkomst van protestpartijen en
door het smeergeldschandaal is dit radicaal veranderd. De politiek is niet
meer bij machte om aan te vallen. En het publiek geeft de rechters, die zo
kort geleden nog werden verguisd, een open doekje. Want het wil
gerechtigheid. Gerechtigheid en wraak.
|
||
|
Ga terug naar startpagina van De Italiaanse revolutie of lees het volgende hoofdstuk
|
||
|
Deze
website is gemaakt door Marc Leijendekker |